Baälisme en Jahwisme

Uit opgravingen in Ugarit is bekend geworden dat in het tweede millennium voor Christus El (vertaald: God) hoofd van de godenwereld was voor de bewoners van die stad (gelegen aan de kust van het huidige Syrië, ten noorden van Israël). Toch kreeg deze god niet de meeste verering. Die was weggelegd voor Baäl (vertaald: Heer). In de gevonden literatuur zijn mythen over Baäl gevonden, waarin hij als een stormgod wordt beschreven. Hij is degene die de regen, de wolken, het onweer beheerst. Door El wordt hij overgeleverd aan Yammu, de zeegod. Dan kan die het koningschap overnemen. Maar met behulp van een andere god weet Baäl echter de zeegod te verslaan. Hij overwint ook de god van de zomerdroogte en de god van de dood en zo vestigt hij opnieuw zijn koningschap. De invloed van Ugarit is in het zuiden merkbaar geweest en zo werd ook in Kanaän rond de tijd van de intocht de verering van Baäl gevonden.

 

Het is niet zo moeilijk hierin het ritme van de natuur te zien, vooral beoordeeld op de leefbaarheid en vruchtbaarheid van land, mens en dier. De afwisseling van de droge en hete zomertijd en het regenseizoen wordt gezien als een voortdurende strijd tussen verschillende goden. Het is een vorm van voortdurende herschepping, wij zouden zeggen: het gaat om de onderhouding van de schepping. De vruchtbaarheid wordt ook gesymboliseerd door de omhelzing en de eenwording van Baäl met zijn zuster Anat. Zij baart dan een wilde stier, symbool van vruchtbaarheid. Naast Baäl is ook de figuur van de godin Astarte of Asjera bekend geworden door opgravingen. Het meest duidelijk spreken de afbeeldingen van vrouwen met veel en grote borsten of sterk uitvergrote geslachtsdelen.

 

Het hoge belang van de leefbaarheid en vruchtbaarheid voor de samenleving is niets vreemds. Het verlangen naar nakomelingen en welvaart is algemeen menselijk. En wie Jahwe, de God van Israël, niet kent, creëert zijn eigen goden. Maar dat de verering van Baäl al spoedig na de intocht in het land wordt vermeld, geeft te denken. In de geschiedenis van Gideon is al sprake van een altaar van Baäl dat zijn vader had opgericht (!), alsmede de Asjerapaal. (Rechters 6,25) Na de dood van Gideon, zo noteert de schrijver, “… begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baäls aan te lopen. Ze verhieven Baäl-Berit tot god en vergaten de HEER, hun God, die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden.” (Rechters 8,33) Dat is aan de ene kant te verklaren uit het feit dat de Kanaänieten niet geheel waren verdreven uit het land bij de intocht. (Rechters 1,27v) Het impliceert dat zij de ruimte namen om hun goden te blijven vereren. Dat de Israëlieten zich zo snel tot de verering van deze goden lieten overhalen, zegt iets van de indringende noodzaak om leefbaarheid en vruchtbaarheid veilig te stellen en het gebrek aan vertrouwen dat zij in Jahwe de Heer hadden opgebouwd door de jaren heen.

 

Als de Israëlieten van een nomadisch bestaan met kleinvee overgaan naar een gesetteld agrarisch leven in dorpen en steden, dan is het niet vreemd dat in de overgangsperiode veel gebruik is gemaakt van de bestaande structuur. Blijkbaar is de verleiding om niet alleen de techniek van werken en handelen over te nemen, maar ook de bijbehorende religieuze rituelen. Dat zal voor een Kanaäniet niet los te maken zijn geweest, zoals het hele leven in die wereld bij alle volken van goden en verering doortrokken was. De angst om de gunst van bestaande Kanaänitische goden te verspelen, zal voor de Israëlieten sterker geweest zijn dan de overtuiging dat Jahwe diezelfde zorg voor leefbaarheid en vruchtbaarheid kon bieden.

 

De invloed van de Baälsdienst kan nog verder bevorderd zijn door de instroom van Fenicische arbeiders in de tijd van Salomo (Fenicië is het gebied direct ten noorden van Israël aan de kust, met de steden Tyrus en Sidon). Ook de vrouwen van deze koning brachten hun goden mee. “Salomo zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten,” lezen wij in de laatste berichten over deze grote koning. (1 Koningen 11,5) Maar het hoogtepunt (zo u wilt dieptepunt) werd bereikt ten tijde van Achab. Hij faciliteerde in Samaria, de door zijn vader gestichte hoofdstad van het noordrijk Israël, de verering van deze afgoden, naast de al aanwezige verering van Jahwe in de vorm van stierkalveren in Bethel en Dan. Van Jehu wordt gemeld dat hij ook de Baälsdienst gepoogd heeft te verwijderen, maar daarna is die toch weer opgebloeid. (2 Koningen 10,17-31) De profeet Hosea leefde een eeuw na Elia en hij heeft ook de Baäl op het oog, als hij klaagt over de afgoderij van Israël. (Hosea 2,12; 3,1)

 

Elia drijft de confrontatie tussen Baäl en Jahwe op de spits. Hier is geen compromis mogelijk. Maar in feite vertelt het verhaal dus dat de verering van Jahwe als de enige God in de koningentijd geen algemene praktijk was, althans niet in het Noordrijk (in Juda, het zuiden, was de situatie iets beter). Het werd een situatie van polytheïsme (meergodendom). De profeet Elia is representant van een kleine minderheid die zich geheel aan Jahwe had verbonden. Als we de strekking van de boeken Koningen onderkennen (namelijk het lessen trekken uit het verleden voor de generatie in ballingschap), dan wordt begrijpelijk dat voor deze episode uit de geschiedenis van Israël veel ruimte wordt ingeruimd. Laat de generatie die zucht onder Gods straf niet in dezelfde valkuil vallen! Niet in den vreemde, en niet later als zij weer terugkeren.