Spookhuis

Victor Frankenstein creëert een monster. Samengesteld uit delen van lijken en tot leven gebracht lijkt het een teken van bovennatuurlijke machten. Maar in feite is het verhaal bedoeld als kritiek op de tijdgeest. Mary Shelley publiceerde het verhaal voor het eerst in 1818, en in 1831 verscheen een verbeterde versie. Philip Tallon, werkzaam bij het Institute for Theology, Imagination and the Arts, maakt in The Philosophy of Horror helder dat het monster een product is van de hoogmoed van de Verlichting. De menselijke (wetenschappelijke) zucht tot creëren en beheersen blijkt vast te lopen: de creatie keert zich tegen de schepper. “… not all scientific exploration produces lumbering, fearsome monsters, but it is significant that the chaotic, regressive, and often supernatural genre of horror was born closely together with the rise of Enlightenment values such as rationality, progress, and a generally naturalistic understanding of de world. Noël Carrol, writing about the genre of horror, therefore appropriately calls horror the ‘underside of the enlightenment’.” (37)

 

In de roman The Haunting of Hill House vervult dr. John Montague de rol van rationale wetenschapper. Hij is gepromoveerd en wil een boek schrijven over het landhuis met zijn spookverhalen. Hij nodigt mensen uit die sensitief genoeg zijn, selecteert de happy few en wil dat er aantekeningen worden gemaakt. Hij draagt verklaringen aan, geeft een historisch achtergrondverhaal en houdt de leiding. Beheersing en controle. Toch gaat  het mis. Eleanor Vance, een van de deelnemers, overleeft het experiment niet. Als de anderen haar wegsturen om haar bestwil, geeft zij vol gas en rijdt tegen een boom langs de oprijlaan. Het huis wordt weer verlaten en staat er zoals het als jaren stond. Alleen.

 

Shirley Jackson laat het slot van haar roman terugbuigen naar de opening. “No live organism can continue for long to exist sanely under conditions of absolute reality; even larks and katydids are supposed, by some, to dream. Hill House, not sane, stood by itself against its hills, holding darkness within; it stood so for eighty years and might stand for eighty more.” (1) Hiermee is de toon gezet. Het huis kan door allerlei zintuigelijke sensaties de aanwezigen de schrik op het lijf jagen, uiteindelijk gaat het om de innerlijke huishouding van de mensen. Harde kloppende geluiden horen ze op de deuren, er loopt een beest door de tuin en in het huis, of toch niet? Deuren vallen spontaan dicht en het wordt heel koud op sommige plaatsen en momenten. Terwijl dr. Montague oplossingen verzint, volgt de lezer vooral de monologue interieur van Eleanor. Zij heeft jarenlang voor haar moeder gezorgd. Zij is bekaf. Met haar zus en zwager heeft zij ruzie gemaakt over haar vertrek naar Hill House. Zij hoopt eindelijk eens ergens liefde te vinden. In haar hoofd komt een steeds regel van Shakespeare terug: “Journeys end in lovers meeting, every wise man’s son doth know.” (Uit het toneelstuk Twelfth Night) Eerst flarden (15, 19, 23, 25) en later meer, die lijn trekt de schrijfster door het hele verhaal heen. (30, 40, 66, 69, 100, 113, 164, 181) Is Theodora de liefde, wordt het Luke? Uiteindelijk geen van beide. Het tragische is dus dat zij niet bij de groep mag blijven. Het verblijf in het huis heeft haar onvolwassenheid en onzekerheid aan het licht gebracht. Spookt het in het huis of in haar hoofd? De grenzen beginnen te vervagen en ten slotte voelt zij het huis: “She stood with her back against the door, the little mists of Hill House curling around her ankles, and looked up at the pressing, heavy hills. Gathered comfortably into the hills, she thought, protected and warm. Hill House is lucky.” (170, zie ook 165, 178)

 

Laura Miller schreef een informatieve inleiding bij het boek. Zij is journalist en recensent, onder andere voor de New York Times Book Review. Zij analyseert sterk: “Hill House will force her to acknowledge that she will never be free, that her dreams of leaving her corrosive past and her family behind are illusions, that wherever she goes she will only find the same hell she was running away from. Escape is a mirage. This is de real horror of Hill House.” (xvii)

 

Zo komt het horrorthema terug bij z’n kern. Het gaat om de onderkant van de Verlichting. Kan een levend organisme de ‘absolute realiteit’ aan zonder te dromen? Hard wetenschappelijk materialisme en gebrek aan verbeelding, het is niet te verdragen. Het is ongezond. Je wordt er gek van. Hill House vormt geen gezonde omgeving. Het verbindt niet. Wat daar rondloopt, loopt alleen.
Dat zijn de vragen die het boek stelt: hoe ben ik echt met mensen verbonden en hoe richt ik mijn materiële omgeving zo in dat ik wel gezond blijf?

 

Naar aanleiding van: Shirley Jackson, The Haunting of Hill House. New York: Penguin Books, 2006. De eerste druk werd gepubliceerd in 1959 bij The Viking Press. De eerste Penguin-uitgave kwam in 1984. Laura Miller schreef bij de 2006 editie de introductie.
Netflix produceerde een tiendelige serie geïnspireerd op deze titel. De eerste episode opent met de startalinea van het boek. Veel namen uit het boek keren terug. Verder ontwikkelt de serie zich vrij van het boek. De Nederlandse acteur Michiel Huisman speelt een hoofdrol. Bij vergelijking concludeer ik: beeld en geluid veroorzaken toch andere schrikeffecten dan de leesverbeelding.

 

Philip Tallon, “Through a Mirror, Darkly: Act-Horror as a Medium for Moral Reflection.” In: The Philosophy of Horror (edited by Thomas Fahy). Kentucky, The University Press of Kentucky, 2012, 33-41

 

Blijf het proberen

“Als iets niet lukt, mag je het best een tweede keer proberen.” Maarten van der Weijden stimuleerde ons deze zomer (2019) bij het succes van de tweede poging tot een Elfstedenzwemtocht. De overtreffende trap van die aanmoediging vond ik bij het doorluisteren van de cd Sailing to Philadelphia van Mark Knopfler (* 1949). Wat mij betreft een van zijn beste werken.

 

Speedway at Nazareth is het tiende nummer op de cd. Het lied van een coureur van Indy autoraces, het broertje van de Formule-1 in de Verenigde Staten. Op verschillende circuits worden wedstrijden gehouden en ik ontdekte tot mijn verbazing dat een Nederlander die race wel eens gewonnen heeft: Arie Luyendyk. Eén van de circuits was de ovale Speedway in het plaatsje Nazareth, Pennsylvania. Mark Knopfler schreef een nummer vanuit het perspectief van een coureur:

 

After two thousand came two thousand and one
To be the new champions we were there for to run
From springtime in Arizona ‘til the fall in Monterey
And the raceways were the battlefields and we fought ‘em all the way

 

In de vijf coupletten die volgen komen (met enige dichterlijke vriiheid) nog ruim tien wedstrijdplaatsen langs: Phoenix, Long Beach, Indianapolis, Brickyards, Milwaukee Mile, Bell Isle, Portland, New England, Portland, Road America en ten slotte Nazareth. Het zijn slagvelden en telkens wordt hij geen kampioen. Pas in Nazareth lukt het:

 

New England, Ontario we died in the dirt
Those walls from mid-Ohio to Toronto they hurt
So we came to Road America where we burned up at the lake
But at the speedway at Nazareth I made no mistake

 

Bij deze regel zijn we pas op de helft van de bijna zeven minuten. Het ritme van het begin krijgt nu vleugels. Er komt een flow waarbij gitaren, viool, bas, drums en keyboard het tempo van de races in muziek omzetten. Door de synergie sleept het nummer je mee naar de finish en de ruimte voor solo’s is heerlijk. Op de cd eindigt het lied in fade-out maar bij live optredens zie je Knopfler naar z’n bandleden kijken en sluiten ze af met een geladen break. Applaus!

 

Hoe vaak moet je samen geoefend hebben om zo in de flow te komen? Het is oefenen en oefenen en steeds opnieuw er voor gaan staan. In mijn eigen werk heb ik dezelfde les geleerd: een liturgie van A naar Z leiden is een kunst, een kunde. Eén op de dertien zonder fout, ik vind het een aardige inschatting. Al die andere mislukkingen tot de huilbui toe, het hoort erbij.

 

Bij twee nummers van Sailing to Philadelphia viel me de christelijke toets op: Psalm 23 in Baloney Again (ook al zo mooi) en Prairie Wedding (Adam en Eva en de prediker die het huwelijk sluit). Ik sloeg niet direct aan op ‘Nazareth’ tot ik bij herlezing dacht: zit er misschien meer in dan bij eerste lezing opvalt? Couplet 3 over kruisigen en de berg beklimmen:

 

Well the Brickyard’s there to crucify anyone who will not learn
I climbed a mountain to qualify I went flat through the turns

 

Het is een lied van opstaan en vallen en weer opstaan. Teleurstelling en beproevingen maken je sterk en de heerlijkheid van de overwinning is formidabel. Je zit zo in het christelijk jargon met een lied over het navolgen van de Heer die gekruisigd werd op een berg – en stierf. Misschien wil ik teveel zien – ook zonder dat bezorgt het nummer me kippenvel.

 

Naar aanleiding van: Mark Knopfler, Speedway at Nazareth (Sailing to Philadelphia, 2000). Met medewerking van Gillian Welch en David Rawlings, vocals; Paul Franklin, pedal steel; Aubrey Haynie, viool. Voor een mooie live uitvoering met Emmylou Harris in Oslo 2006, klik hier. Slot van het concert, voor de toegiften. In de zomer 2019 tourde Mark Knopfler (69 jaar!) nog door Europa en stond in juni in de Ziggo Dome in Amsterdam. Niet iedereen was enthousiast.

 

Ik weet niet

Ik weet niet wat ik van hem ben.
Al in zijn dromen roep ik de Morgenster,
doe ik een schicht en schrikt hij wakker.

 

Staan we op, dan kom ik uit zijn woorden.
Ik ben de gril, de flits, ik maak hem als een kind
zo blij. Zijn schaduw ben ik niet,
daar ben ik intussen veel te licht voor.

 

Hij laat me los als ik zijn spiegel ben,
onder de douche geef ik een kus.
We drogen af, hij zalft mijn hoofd
tot ik het zwijgen ertoe doe.

 

Hij luistert stemmen en hij spreekt.
Ik weet: straks valt de nacht en eens
ben ik de nieuwe schepping. Morgen.

Ster van het Noorden

In september 2018 was ik voor het eerst in Zuid-Korea. Samen met reisgenoot Arjan Grashuis bezocht ik bevriende kerken. Het was in weken van actieve toenadering tussen de leiders van Noord en Zuid-Korea. De christenen die wij ontmoetten, spraken de hoop uit dat de twee Korea’s weer verenigd worden. Velen hebben familie in het Noorden.
Intussen is natuurlijk helder dat er een enorm ideologisch verschil bestaat: het democratische Zuiden is gescheiden van het dictatoriale Noorden. Voor de christenen een ingrijpend verschil: godsdienstvrijheid bestaat niet in het Noorden. Sinds het bezoek doe ik voorbede voor beide Korea’s tegelijk.

 

Tot mijn verassing kwam ik Noord-Koreaanse christenen tegen in de Thriller van het Jaar 2019. Elk jaar kiest het blad Vrij Nederland de winnaar uit honderden titels. Dit jaar is het De Ster van het Noorden van D. B. John. Ik koop al enige jaren achtereen de winnaar en geniet ervan op vakantie voor mijn tent. De jury schreef: “John is een kenner van het land en slaagt erin al zijn kennis probleemloos te injecteren. De jury had het gevoel het gesloten land eindelijk te betreden. We zaten náást mevrouw Moon die op de zwarte markt haar handeltje dreef terwijl haar bange man thuisbleef. Alles wordt spannend als mensen continu vechten om te overleven. En dan giet John zijn verhaal nog in een reuzespannende plot die vanuit verschillende perspectieven wordt verteld. Zelfs de politieke boodschap van minder sancties tegen Noord-Korea komt geloofwaardig aan de orde.” (8)

 

De roman is nog maar net op gang of we zien dat de arme mevrouw Moon in het bos een ballon vindt. Die worden in het Zuiden losgelaten, met een aangebonden plastic zak. Zij vindt daarin een paar warme wollen sokken, een opwindbare zaklantaarn, plastic aanstekers en twaalf chocoladekoeken. Made in South Korea. Thuisgekomen ontdekt zij ook nog enkele folders in de zak. “Aan onze broeders en zusters in het noorden, van jullie broeders in het zuiden! Jullie zijn altijd onze gebeden. We missen jullie en voelen met jullie mee. We zien uit naar de dag waarop Noord en Zuid herenigd zullen zijn door de liefde van Onze Heer Jezus Christus…”
Ik stopte met lezen. Wat krijgen we nou, dacht ik. Dit is precies wat ik vorig jaar tegenkwam. Zou het werkelijk zo gaan, met ballonnen uit het Zuiden? Het mooie is dat het bij mevrouw Moon oude herinneringen bovenhaalt. “Iets in die woorden hadden haar teruggevoerd in de tijd. Er was een heel leven verstreken sinds zij die naam had gehoord, minstens vijftig jaar. ‘Onze Heer Jezus Christus…’” (30-31)

 

Mevrouw Moon is prominent aanwezig, maar niet de hoofdpersoon van de thriller. En verdrukking van christenen is niet het hoofdthema van het boek. Een Amerikaans meisje met een Zuid-Koreaanse moeder verdwijnt en blijft jarenlang ongevonden. Haar tweelingzus Jenna kan niet geloven dat zij verongelukt is en langzaam wordt haar vermoeden bevestigd: Susie (of Soo-min) is ontvoerd naar Noord-Korea. Intussen leren wij ook de heer Cho kennen met een hoge rang en veel privileges in de Noord-Koreaanse hiërarchie. D.B. John sleept je mee in een spannend plot waarbij zelfs de dictator Kim Jong-il verschijnt, de Geliefde Leider. Of Jenna Susie vindt laat ik even in het midden – ik wil toekomstige lezers niet voor de voeten lopen – maar reken erop dat je heel graag wil weten hoe het afloopt.

 

Via mevrouw Moon krijgen wij vooral het leven van de arme Noord-Koreaan in beeld. Door haar leren wij ook Undine kennen. “Wat de bron van haar tevredenheid ook was, ze droeg die in haar hart, zoals de aarde warmte,” observeert mevrouw Moon. (130) Undine heeft bijbels thuis. Dat overleeft zij niet en ik kreeg een brok in mijn keel als mevrouw Moon Psalm 23 begint te citeren bij de executie van haar vriendin. (204) Wat een bar leven voor onze broeders en zusters daar.

 

D. B. John vermoedde al bij eerste publicatie dat er lezers zullen zijn die zich afvragen hoeveel van de roman op werkelijkheid berust. Hij zelf heeft Noord-Korea meer dan eens bezocht en veel gelezen, onder andere van gevluchte Noord-Koreanen. De auteur voegt daarom aan het einde een toelichting toe. Niet alleen over het Noord-Koreaanse ontvoeringsprogramma, maar ook over de situatie van de christenen in het land:

 

“Enkele overlopers hebben getuigd van het bestaan van geheime christelijke ‘huiskerken’ in de steden. Die vormen heel kleine gemeenten, die veel verschillende ontmoetingsplaatsen hebben uit angst voor ontdekking, een praktijk die sterk op de vroegchristelijke kerk lijkt. Ze lezen bijbelverzen die met de hand op stukjes papier zijn overgeschreven. Iedereen die wordt betrapt op het bezit van een echte bijbel loopt kans op terechtstelling of een leven in de goelag. Buitenlandse bezoekers krijgen soms twee grote kerken in Pyongyang te zien, vol gemeenteleden die gezangen zingen. Dear Leader, de autobiografie van Jang Jin-sung, bevestigde wat velen al hadden vermoed over deze kerken: ze vormen een cynische schijnvertoning die is opgezet om buitenlanders te misleiden en internationale hulp te krijgen. Zij worden gerund door de Afdeling Verenigd Front van de Arbeiderspartij, en de gemeenteleden zijn agenten van die afdeling.” (434)

 

Ik kan alleen maar zeggen: lezen! En dan bidden.

 

Naar aanleiding van: D.B. John, Ster van het Noorden.2 Amsterdam: Cargo, 2019. Oorspronkelijke titel: Star of the North. London, Harvill Secker, 2018. Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. Het kleine minpunt van het boek zit ‘m in de Nederlandse vertaling. Dat iemand eerst Ranyon heet en op de volgende bladzijde Runyon, nou goed, correctiefoutje, kan iedereen overkomen. (18-19) Maar dit: “De man zei niets, maar kameraad Pak, wier mond zijn uiterste best deed een gerechtvaardigde vrolijkheid in te houden, kon niet zwijgen.” (98) Hu? ‘wier mond…’? Of: ‘…waarbij ’s mans pet door de lucht vloog…’ (271) ’ ’s Mans pet’, toe maar, je krijgt zo wel de neiging om te kijken hoe oud Reintje is, of Jan Pieter.

 

 

 

Vrij en veilig

In de zomer van 1830 werd in Brussel La Muette de Portici opgevoerd, een opera van de Franse componist Daniel Auber. Het stuk verheerlijkte de opstand van de Napolitanen tegen Spanje in 1647. Geraakt legde het Belgische publiek een verband met de actuele situatie, de gespannen verhouding tot de Noordelijke Nederlanden. Op woensdag 25 augustus plunderde een meute huizen van prominente Nederlanders. Katholieken en liberalen sloten zich aaneen en riepen op 4 oktober de onafhankelijkheid uit van de staat België. Koning Willem I reageerde onmiddellijk:

 

“Te wapen op de dringende bede van uwen vorst! Te wapen, onder ootmoedig en biddend opzien tot de Almachtigen God, die Nederland en Oranje zo dikwerf uit de grootste gevaren heeft gered.” (Verleden van Nederland, 332)

 

Drie jaar later, in 1833 verscheen de eerste druk van Het Slot Loevenstein in 1570. De auteur van de roman was de Amsterdamse belastingontvanger Jan Frederik Oltmans. Hij publiceerde onder het pseudoniem J. van den Hage. Het Slot Loevenstein in 1570 is één grote steunbetuiging aan de band tussen God, Nederland en Oranje. De Nederlander moet actief het buitengewone karakter van Holland helpen bewaken. Het is schandelijk te kiezen voor gemak boven ‘de roem het vaderland te redden.’ (14)

 

Nu had twee jaar eerder de commandant van kanonneerboot no. 2 zich met de bemanning in de haven van Antwerpen opgeblazen. Luitenant Jan van Speyk moest de scheepvaart op de Schelde controleren, maar raakte op 5 februari 1831 door een storm tegen de kade aan de Belgische zijde. Fusielier Johannes van Oostendorp schreef destijds: “Men moet echter altijd opmerken dat de boot niet werd aangevallen door een militaire macht, maar door het grauw en een opgewonden hoop, voor een commandant echter hachelijk genoeg. Hij zag zich overmeesterd en rekende zich verloren, en aangezien hij dat niet verdragen kon, besloot hij tot een wanhopige daad en liet de boot met vriend en vijand de lucht in vliegen. Ik laat het achterwege om deze daad te beoordelen, dat laat ik liever aan wijzere mannen over, maar ik kan mij met de heldendaad niet verenigen.” (138)

 

Het is duidelijk dat Oltmans behoorde tot de bewonderaars. De climax van het verhaal over slot Loevenstein is dat de geuzen zich opblazen. Een groep van ruim twintig van hen had onder aanvoering van Herman van den Bosch het kasteel ingenomen. Deze Van den Bosch fungeerde als boodschapper tussen Willem van Oranje en lokale groepen opstandelingen in de Nederlanden. Ongrijpbaar als hij was werd hij de Emissario genoemd, de Boodschapper. Ik herinner me nog hoe dit personage indruk op mij maakte toen ik in 1980 dit boek voor het eerst las. Een echte leider, sterk en welbespraakt, met een enorm zwaard dat de vijanden wegmaaide, maar tegelijk edelmoedig met de eer van een soldaat. Vroom en gelovig bovendien.
De hertog van Alva stuurde een compagnie soldaten naar het slot en zij namen in twee dagen het slot weer in. Maar de Boodschapper wilde niet in handen van de vijand vallen. “Het gebouw schudde, een hevige slag volgde, het was alsof de aarde zich opende, om de vreemdelingen op Hollands grond te verpletteren.” (268). Oltmans gaat dan zo verder: “Nu eerst waren de Spanjaarden meester van Loevenstein; want de Boodschapper, ofschoon niet overwonnen, was gevallen. Zo kan de man, door een vaste wil en liefde voor vaderland en vrijheid, vrij zijn tot aan, tot in de dood. Zo, stierft gij, Reiner Klaaszoon! toen Fasciardo’s galjoenen u bij knaap St. Vincent, na een strijd van twee dagen, dreigden te vermeesteren; zo stierf in latere tijd Van Speijk, wiens naam met schrik aan Scheldes boorden wordt uitgesproken.” (268-9)
Reinier Klaaszoon was een onder-admiraal die in 1606 al iets dergelijks had gedaan tijdens een zeeslag tussen de Nederlandse en de Spaanse vloot. Fasciardo was zijn tegenstander, de Spaanse zeevoogd. Zo plaatst Oltmans Van Speyk’s daad in het kader van ‘vaderland en vrijheid’. En ieder die zijn boek leest wordt opgeroepen deze Nederlandse volksaard voor te leven en door te geven.
Marijke Stapert-Eggen noteert in haar voorwoord overigens dat de werkelijke gang van zaken rond Loevenstein beduidend anders was. “Oltmans vond dat echter geen reden om zijn roman aan deze ontdekking aan te passen, immers hij wilde slechts het Nederlandse volk een hart onder de riem steken door in een tijd dat het nationaal bewustzijn hoogtij vierde te herinneren aan kloekmoedige daden door voorvaderen in nog bozere tijden bedreven.” (5-6 en 380-381)

 

Daar dacht dus destijds al niet iedereen hetzelfde over. Johannes van Oostendorp had z’n twijfels. Ik ook intussen, maar die twijfels had ik niet bij eerste lezing. Bij ons thuis werd niet overdreven nadruk gelegd op God, Nederland en Oranje, maar een lichte nationale trots heb ik wel opgedaan in mijn jeugd. Vooral het gelovige heldendom van de geuzen sprak mij aan. Dat werd al vroeg gevoed door de boekjes die wij met Kerstfeest in de kerk kregen (Willem Wijchertsz).

 

Ad Verbrugge noemt vrijheid nog steeds een kenmerk van de Nederlandse identiteit. Boeiend, hij combineert vrijheid met veiligheid en wijst op die spanning tussen beide: “De spanning tussen vrijheid en veiligheid ligt bij uitstek besloten in het water dat ons omringt. Dat vormt een grondtoon van onze ziel.” (151) De zee biedt ons alle kansen op avontuur. Tegelijk bedreigt zij ons. Dat laatste voedde ook het religieus besef zoals dat in veel vissersdorpen nog gevonden wordt. De vrijheidservaring vertaalde zich in decentrale gemeenschapsvorming. Je moet er samen voor staan, eendracht maakt macht, maar tegelijk elkaars geweten vrij laten. Dat kweekte de ‘absolute waarheid van de eigen religieuze overtuiging’. (159)
Het verzet tegen gezagsdragers zit diep in de Nederlandse traditie. Oltmans laat dat treffend verwoorden door Dirk Duyvel, een van de geuzen. Als hij een order van de leider negeert, verantwoordt hij zich zo: “Ik veracht uw bevelen, gij zijt niets meer dan ik, en gij noch Oranje hebt recht, gehoorzaamheid van mij te vorderen. Of denkt gij, dat wij de ene dwingeland wegjagen, om ons onder het juk van een andere te buigen; ik volg alleen mijn eigen wil; want een vrije Nederlander is zijn eigen meester, met niets kunt gij het gezag, dat gij hier uitoefent, bewijzen.” (53, zie ook 59, 77 [Anna], 118)

 

Klaar ben je, met zulke mensen als wij.

 

Naar aanleiding van: J.F. Oltmans, Het Slot Loevenstein in 1570: Geschiedkundig verhaal uit de tachtigjarige oorlog. Ede: L.J. Veen, 1979. Met een inleidend woord en van noten voorzien door Marijke Stapert-Eggen. De complete tekst van de roman is te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. En op deze website over Oltmans.

 

Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es, Piet de Rooy, René van Stipriaan, Verleden van Nederland. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2008. “De vaak geciteerde woorden ‘Dat nooit! Dan liever de lucht in!’ heeft hij [Jan van Speyk]  waarschijnlijk nooit uitgesproken. Ze zijn vermoedelijk terug te voeren op een brief die hij in december 1830 schreef aan een nicht in Amsterdam: “Intusschen moet ik Ued, zeggen (zoo ik hoop mij te willen geloven) dat eerder Boot met kruid en mij in de Lugt gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig over te geven.” (332)

 

Johannes van Oostendorp [Nederlands fuselier], “Straatgevechten in Antwerpen: Van Speyk vliegt de lucht in.” In: Geert Mak, Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages.12 Amsterdam: Ooievaar, 2001, 134-138 (de eerste druk ervan verscheen in 1991)

 

Ad Verbrugge, “Vrijheid en veiligheid: Een fenomenologische reflectie op de Nederlandse identiteit vanuit het landschap.” In: Gabriël van den Brink (red.), Waartoe is Nederland op aarde? Nadenken over verleden, heden en toekomst van ons land. Amsterdam: Boom, 2018, 143-172

 

Als je van de literaire producten van de Romantiek kennis wil nemen, vind je hier een goed voorbeeld, recenseert K. Nolles in het Nederlands Dagblad van 22 april 1980: “Het lezen valt dan echt wel mee. Je moet tegen wat bloedige tonelen kunnen, maar bij het realisme van de huidige oorlogsromantiek in sommigen boeken zijn de beschrijvingen van Oltmans kinderspel.”