Dooraderderde oortjes

Verschijnt er boven je duinpan een wouw.
Zijn vingers houdt hij gespreid.
Wetend als een vlieger, nergens een draad.

 

En jij met je geloof in je kunst,
je eenvouds dooraderderde oortjes,
je spitsmuisgeritsel onder het helmgras,
het versvoetgeroffel van je madurohart.

 

In hoe je wegduikt zien bloemlezers Erbarme Dich.

 

Willem Jan Otten, Welkom, 64

 

Een klein muisje in een duinpad, even uit de beschutting, om te foerageren? Het beestje is een prooidier. De roofvogel hangt boven de duinpan. Ook het roofdier wil eten. De wouw heeft vingerachtige uiteinden van de vleugels. Gespreid betekent dat hij een zo groot mogelijk gebied wil bestrijken, zo ver als de vingers gaan. Hij hangt in de lucht als een vlieger. Zonder draad. Maar de eerste opvallende woordkeus is daar: ‘wetend’ als een vlieger. Wat weet hij: dat die muis daar zit in zijn duinpan?

 

‘En jij met je geloof in je kunst…’, Je praat tegen jezelf, monologue interieure, relativerend. Je denkt wat je zijn. Maar je stelt niet zoveel voor. Misschien ben ik ook zo’n ‘je’. Wij mensen hebben dat, zo’n geloof in je vaardigheden om aan je bedreigingen te ontsnappen. De beschrijving van de kwetsbaarheid van het muisje klinkt loepzuiver in de tweede regel van de tweede strofe. ‘je eenvouds dooraderderde oortjes’. Die vrij grote oren van de spitsmuis, dun, zodat je de kleine aderen ziet lopen. Toen ik het gedicht overtypte, schreef ik eerst: ‘dooraderde’, wat volgens mij een goed Nederlands woord is. Maar bij zorgvuldig lezen stond er ‘dooraderderde’ en eerlijk, dat maakt het beeld des te sterker.

 

Kunst heeft met muziek te maken en dat zal uitlopen op de titel van de aria van Bach. Helmgras heeft weer een verwijzing naar de dreiging van boven, de wouw. Het geritsel en geroffel wijst op geluid, maar past helemaal bij de muis die vluchten moet, het hart dat slaat. Maduro, Madurodam, de kunststad van het kleine. En dat alles in die relativerende toon. Jij denkt dat je met deze kunst de grote hoge wouw kunt ontgaan. De wouw weet beter.

 

En dan in de derde strofe de bloemlezers. De derde partner, de buitenstaanders die toekijken. Zij komen voor bloemen. Maar zij treffen de spanning aan, tussen wouw en muis. De bloemlezer schat direct de situatie in. Ach, dat weg duiken. Dat is toch een smeekbede aan de wouw. Vreet me niet op! Dat is wat een mens wil zeggen die instemt met ‘Erbarme dich!’
Maar dat maakt God dus als een wouw.
Dat is nogal wat.

 

Naar aanleiding van: Willem Jan Otten, Welkom. Gedichten 2003-2008. Amsterdam: Van Oorschot, 2008

 

Een zere plek

Blauwblauw

 

‘Is het maar dat?’ (Een blauwe plek
betekent niks. De blauwe plekken
op haar armen, op haar benen
hebben niks, zoveel is zeker,
te betekenen, wellicht. Een blauwe plek
is niet van tel. Een blauwe plek
is poëzie, en poëzie is overal,
ofschoon ik op de vreemdste plaatsen
blauwe plekken tegenkom.)
Niet dat ik haar soms niet vertrouw.
Niet dat ze onbetrouwbaar lijkt.

 

Miguel Declercq

 

Iets blauwblauw laten: je onderneemt geen actie op wat dat eigenlijk wel behoeft. Iets vraagt om een standpunt, voor of tegen, maar je laat het in het midden. Het is een soort gedogen. Waarom doen mensen dat? Omdat je het niet interessant vindt, maar ook omdat je bang bent voor de reacties op een duidelijk standpunt. Je nek uitsteken, kan betekenen dat je klappen op je kop krijgt. Iets blauwblauw laten is dan veilig. Of: je voelt je schuldig en daarom laat je iets in het midden.

 

Het gedicht is opgebouwd uit een opening, een slot en een groot deel tussen haken. Als wij die tussenzinnen even overslaan houden we dit over:

 

‘Is het maar dat?’
Niet dat ik haar soms niet vertrouw.
Niet dat ze onbetrouwbaar lijkt.

 

Het is geschreven vanuit de ik-persoon die wel mannelijk zal zijn: echtgenoot, vriend, partner? Het gaat om iemand die een vrouw beoordeelt op haar trouw. De laatste twee regels zijn van die zinnen die je tegen iemand zegt om een bepaalde indruk weg te nemen. Hij heeft de indruk gewekt haar niet te vertrouwen. In twee regels (die zo uit het een gewone conversatie wegkomen) benadrukt hij dat hij haar wel vertrouwen geeft. In een gesprek kun je dan checken aan de oogopslag en lichaamshouding, intonatie of dat serieus genomen moet worden, maar over het algemeen maken zulke zinnen het alleen maar erger. Dan knik je begrijpend en denkt bij jezelf: nee, beste broeder, je vertrouwt haar voor geen meter.

 

Dat is te begrijpen bij dat eerste zinnetje: ‘Is het maar dat?’ Alle nadruk komt op dat laatste woordje:  dat. Het is geringschattend. Iemand maakt zich blijkbaar ergens druk over en de spreker vindt dat overdreven. Maak je daarover drukte, is het maar dat? Als iemand dan de drukte volhoudt, dan komt de vraag naar de geloofwaardigheid van die persoon inderdaad naar voren. Neem je iemand serieus die zich beklaagt of opwindt, of vertrouw hem of haar niet?

 

Ik moet zeggen, deze drie zinnen zijn al mooi op zich. Zij roepen een situatie op die je zo in je eigen huwelijk of vriendschappen kunt zien opdoemen. Maar nu komt de tussengedachte aandragen met de blauwe plek. Dat is spannend. Want een blauwe plek op een paar kinderbenen kan gezond zijn. Een jongetje speelt buiten, schaaft zich, valt een keer, stoot zich tegen van alles en heeft een bont gekleurde huid. Levenslustig type, denk ik dan. Maar als wij het hebben over een volwassen vrouw met blauwe plekken en een man die nadrukkelijk zegt dat hij haar best vertrouwt, dan ben je binnen de kortste keren met je gedachte bij mishandeling.

 

‘Een blauwe plek betekent niks’. Dat is een leugen in spreektaal, niks in plaats van niets. Een blauwe plek verwijst naar iets, betekent pijn en blessure. In geval van opzettelijke mishandeling betekent het reden tot aanklacht. Alleen de dader zal het ontkennen en bagatelliseren: het is niets. Is het maar dat? De dader wil het blauwblauw laten, maar dat kan alleen als het slachtoffer overheerst kan worden om protest te smoren. De tweede zin tussen de haken laat zien hoezeer de spreker zich overschreeuwt. ‘Zoveel is zeker’ is een uitspraak van iemand die onzekerheden, onduidelijkheden signaleert. Er zijn veel gegevens te overwegen, sommige zijn niet duidelijk, de totale conclusie kan niet worden gegeven, maar bepaalde dingen staat wel vast: zoveel is zeker. Wellicht. Dus toch niet zo zeker als je het wel hebben wilt. Het is alsof de spreker zijn geweten hoort. Wie de zinnen buiten de haken hardop durft te zeggen, zal die van binnen de haken misschien niet hardop zeggen, maar wel horen in zijn gedachten.

 

Een blauwe plek is niet van tel. Nu beginnen de moeilijkheden. In goed Nederlands zou je verwacht ‘in tel’ (even ervan uitgaande dat hier geen drukfout in het spel is). Ik ken eigenlijk geen normale Nederlandse uitdrukking, met ‘van tel zijn’. Maar in het Vlaams is het een goede manier van zeggen. ‘een blauwe plek is poëzie,’ de zin wekt de indruk een verklaring te geven voor de vorige. Je kunt begrijpen dat een blauwe plek niet in tel is als je beseft dat blauwe plekken poëzie zijn.
Wat kan hij bedoelen? Poëzie als concentratie misschien? In onderscheid van proza is poëzie uiterst geconcentreerd. Het moet kort, krachtig, zinnen die stoplappen zijn verraden zich en bewijzen poëzie een slechte dienst. Is een blauwe plek een geconcentreerd leed? Dan kan de volgende zin verduidelijken: poëzie is overal… Je ziet gedichten op rouwkaarten, in de metro, in boekjes en op kaarten. Soms op vreemde plaatsen; graffiti kan poëzie zijn, reclameteksten of een neonlicht op een kantoor. Overal zie je verdichte werkelijkheid die verwijst naar een groter geheel.

 

De zin die volgt, over de vreemde plaatsen maakt met ‘ofschoon’ een eigen indruk. Het wil uitdrukking geven aan de verrassing. Het is alsof gezegd wordt: poëzie is overal, maar je zou het niet verwachten op vreemde plaatsen en die zijn ook eigenlijk uitgesloten van dat ‘overal’. Als verrast merkt de ik op dat hij ook op vreemde plaatsen poëzie kan tegen komen. En daarmee is de link naar de blauwe plek weer gelegd. Wie iemand in boosheid of woede mishandelt, let niet secuur op de plaats waar de blauwe plek moet komen. Die mept en raakt waar die raken kan en produceert zo op vreemde plaatsen blauwe plekken.

 

Misschien, zo denk ik nu, is het hele verhaal over concentratie wel niet nodig. Misschien wil de dichter poëzie als vergelijk gebruiken omdat je inderdaad overal poëzie tegenkomt, niet alleen in de inner circle van de happy literaire few, maar ook in de sloppen en de stegen. Juist daar hoor je mooiste en bloemrijkste taal. Poëzie is overal, opvallend genoeg ook op vreemde plaatsen. En dat laatste, die vreemde plaatsen, is dan de band tussen blauwe plek en poëzie. Poëzie heeft niet het gewelddadige met de blauwe plek gemeen maar het ongepaste. Het lijkt het meest thuis in de salon van het leven, maar het is overal. Een blauwe plek behoort normaal bij kind en spel, maar wonderlijk genoeg komen ze ook voor op armen en benen van volwassen vrouwen, met wie je een relatie hebt.

 

De ik probeert de blauwe plekken te bagatelliseren. Er is niets bijzonders aan, het is algemeen. Maar de onzekerheid, die we al eerder constateerden, kruipt er dan toch weer uit als hij wat verrast vaststelt dat ze ook op vreemde plaatsen voorkomt. Een fraai staaltje van geconcentreerd leed, dit gedicht. De ellende van een man die zichzelf wil goed praten door zijn wangedrag blauwblauw te laten. De au/ou klank is nadrukkelijk aanwezig. Au!?

 

Naar aanleiding van: De 100 beste gedichten van 2001, gekozen door Geert Buelens ( in samenwerking met Stichting VSB Poëzieprijs). Amsterdam: De Arbeiderspers, 2002. Het gedicht Blauwblauw werd overgenomen uit Miguel Declercq, Zomerzot/Somersault. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2001. Klik hier voor informatie over de dichter in de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren.

 

Een normaal wonder

Wat weet je eigenlijk van je opgroeiende kinderen? Pubers hebben zo hun geheimen en als er geen bloed uit vloeit, lijkt dat me dat helemaal prima. Hoewel, ik weet als vader dat je kinderen soms lang met een geheim kunnen lopen. Dat drukt en wat had je dan graag gezien dat ze eerder naar je toe waren gekomen. Maar ja, goede bedoelingen en de juiste gelegenheden zijn niet genoeg. En als de dood z’n gezicht toont, dan kan het schrikken worden: wat als je allerlei verborgenheden ontdekt?

 

Het overkomt Nathan en Ruth Drum. Zij zijn de ouders van Ariël, Frank en Jake. Ariël is de oudste, dochter, 18 jaar, en zij komt na een feestje niet thuis. Spannende uren, zoekdagen en dan het bericht dat zij in de rivier dood gevonden is. Bij de autopsie blijkt dat zij door geweld om het leven is gebracht. En zij is zwanger. Wat heeft je dochter gedaan, wie heeft wat met haar gedaan? Nathan en Ruth hebben geen idee.

 

William Kent Krueger heeft hiermee een sterk thema voor zijn roman Gewone genade. Je moet je eerst even geven aan het fraai menselijke boek, want hij komt er niet direct mee. Hij kiest het perspectief van zoon Frank, 13 jaar. Dat is mooi, het is de leeftijd waarop je de grote-mensen-wereld gaat ontdekken en het kinderlijke begint af te leggen. Ook al heb je geen omlijnd besef van seks, het zien van een naakte vrouw beneemt je de adem. Maar intussen is je jongere, stotterende broertje zo ongeveer je schaduw en wat je vader en moeder zeggen en zwijgen bepaalt intens de sfeer in huis. Franks vader is dominee en dat brengt ook zo het een en ander aan goed verweven thema’s de roman binnen.

 

M en ik kregen het boek van vrienden, ook collega’s. Ik snap dat zij het binnen onze beroepsgroep graag willen laten lezen. Herkenbaar is er veel, ook al is de werkelijkheid van New Bremen, Minnesota in 1961 wel anders dan Zwolle, Nederland 2019. Frank Drum blikt terug veertig jaar na dato. Het was een zomer met vijf doden op een rij. Die van dochter Ariël hakt er het meest diep in. Die slag creëert een kloof tussen Nathan en Ruth. Hij blijft alles bij God leggen, zij haakt af. Krueger weet het al te menselijke mild te beschrijven. Zo wil je graag dit ongewilde snappen. Soms moet je lezend slikken, soms moet je bijna huilen, maar soms denk je ook dat het nog veel erger mis kan lopen in de verwerking.

 

De mooiste scene speelt zich af na de begrafenis van Ariël. Familie, kerkleden, allen komen terug in de kerk. De tafels zijn gedekt, de maaltijd kan beginnen. Hoe goed is het samen eten nadat je in het graf hebt gekeken. Niemand durft de eerste hap te nemen, want er is nog niet gebeden. De aanwezige diaken vraagt aan Nathan, Ariëls vader, om voor te gaan in gebed. Omdat hij de gewoonte had om nogal lang te bidden, zegt Ariëls moeder zuur in de gepaste stilte: “In Gods naam, Nathan, kun je alsjeblieft, voor deze ene keer, eens gewoon bidden?”

 

Het is alsof je er als lezer bij zit. Dit is heel ongemakkelijk. Hoe gaat de familie Drum zich hieruit redden? Niet alleen Nathan, wat voelen de jongens? Lees mee:

 

“Mijn vader schraapte zijn keel en zei in de stilte die gevallen was, ‘Zou misschien iemand anders het gebed willen uitspreken?’ Niemand zei iets en de stilte werd pijnlijk. Toen antwoordde naast mij een zachte hoge stem, ‘Ik wil wel bidden.’ Mijn hart stond stil. Want, Jezus, degene die dat zei was mijn stotterende broertje Jake.
En hij wachtte niet tot mijn vader zei dat het goed was. Hij stond op van zijn stoel en boog het hoofd. Ik keek naar alle mensen om mij heen. Niemand kon er toe komen zijn ogen te sluiten en deze treinramp te missen. Ik bad zoals ik nog nooit gebeden had. O lieve God, laat deze marteling stoppen. Jake zei, ‘Hemelse V-V-V.’ en toen stopte hij. O God, bad ik, maak me dood, hier en nu. Mijn moeder legde haar hand voorzichtig op zijn schouder en Jake schraapte zijn keel en probeerde het nog eens. ‘Hemelse vader, voor de zegeningen van dit eten en deze vrienden en onze familie willen wij u danken. In Jezus’ naam, amen.’ Dat was het. Dat was alles. Een gebed zo doodgewoon dat er geen enkele reden was er ook iets van te onthouden. En toch ben ik in de veertig jaar sinds het gebed werd uitgesproken geen woord ervan vergeten.” (336-337)

 

Hier moest ik lachen en huilen tegelijk. Want dit is het toch? Zo gaat geloven en gelovig worden en gelovig blijven. Gewone genade. God heeft de dood van geliefden niet verhinderd. Toch kun je zijn genade blijven zien. Jake zegt, terugkijkend op dat gebed, dat hij vanaf dat moment niet meer gestotterd heeft: “Ik was gewoon niet bang meer. Ik bedoel, misschien zou iemand anders het wel helemaal niet als een wonder zien, maar voor mij voelde het zo. En dat is wat ik bedoel, Frank. Als we alles in Gods hand leggen, misschien hoeven we dan geen van allen meer bang te zijn.” (350-351)

 

Hoe troostend is het dat bidden dan zo eenvoudig kan zijn: ‘Hemelse vader, voor de zegeningen van dit eten en deze vrienden en onze familie willen wij u danken. In Jezus’ naam, amen.’

 

Naar aanleiding van: William Kent Krueger, Gewone genade. Franeker: Van Wijnen, 2019. De roman verscheen oorspronkelijk in 2013 onder de titel Ordinary Grace. Dingeman van Wijnen verzorgde de vertaling. Klik hier voor de website van de best-selling auteur. Hij zegt over Ordinary Grace: “This was a story that, when it came to me, I couldn’t ignore. It was that simple. I’d been wanting for some time to do a piece of writing that would allow me to revisit the past, to evoke a time that was important in my own life. I also wanted to write something that would allow me to explore the whole question of the spiritual journey, something that’s always been very important to me. When the character of Frank Drum, the minister’s son and the story’s narrator, formed fully in my thinking, Ordinary Grace seemed to drop out of heaven right into my lap.  It was so compelling that it haunted me constantly until I finally put it to paper.”

 

Wat een vondst

Vondst

 

De wijnkruik – pak haar beet
twee eeuwen diep – had
wel een kogelronde buik,
maar baarde louter aarde.

 

Nu staat zij binnen handbereik
en leent mijn dorst het oor,
als was er niets voorbij
en niets verloren.

 

Want al verbeeldt die kruik zich
maar haar maagdelijke staat,
zij maakt dat toch, sinds zij mij
vond, in alle eenvoud waar.

 

Harmen Wind, Aardewerk, 32

 

De maagd Maria baarde de Heer van ons aller leven. Twee millennia geleden – zo gaat het verhaal – kwam hij ter wereld. Op onze aarde, mens als wij. Dat bericht weet ons te raken. Wij komen erdoor in beweging. Wij houden hoop, geloven tegen de waan van de dag in en dragen de kaars van liefde voor ons uit. Er is onvergankelijkheid in aantocht, redding is nabij, niets is verloren. Er is iemand die zijn oor aan ons leent.

 

Is dat het bewijs van de echtheid van het verhaal? Laten we de eerste laag van het gedicht bekijken. Een wijnkruik van 200 jaar oud wordt opgegraven. We spoelen haar schoon. Aarde komt uit de kogelronde vorm. Nu kunnen wij er weer uit drinken. Het lijkt alsof de tijd er niet toe doet. Niets is voorbij, niets verloren. We drinken uit haar. Zo eenvoudig is de waarheid.

 

Een wijnkruik hebben we tastbaar in handen. Het is theoretisch mogelijk dat een meester-bedrieger het voorwerp een schijnbare ouderdom van 200 jaar heeft meegegeven. Maar als wij door betrouwbare mensen worden omringd geloven we dat we kunnen drinken uit een zeer oude wijnkruik. Het verhaal over leven en werk van Jezus van Nazaret is met meer wantrouwen omgeven. Zijn historisch bestaan zal nog worden aangenomen, maar de claim van godheid en wereldbestuur, dat is een ander verhaal. Met enige verbeelding maak je van een ordinary man een God in mensengedaante, die ook nu nog mensen hoopvol en liefdevol maakt. Maar verbeelding kan ook zonder historische grond.

 

“Leven is aardewerk,” lees ik op de binnenflap. “Dat is de belangrijkste notie van deze nieuwe bundel poëzie van Harmen Wind. Hoewel we met illusies onze beperking niet overstijgen maar onderstrepen, hebben we juist aan onze aardsheid ons vermogen tot verbeelden te danken…” Zeker, dat is een van de bijzondere vaardigheden van de mens. Het werkt geweldig. Wie niet in staat is om God te verbeelden, of het gewoonweg niet wil, kan toch jaloers zijn op de effecten. Maar is dat genoeg om overtuigend te zijn en overtuigd te worden? Check de reality: menigeen getuigt dat geloof in de Heer uitblijft ook al zie je het heilzame effect van geloven.

 

Maar, let op: in de laatste strofe blijkt dat niet ik de kruik, maar de kruik mij gevonden heeft. Wat een vondst. Mysterie van het geloof.

 

Naar aanleiding van: Harmen Wind, Aardewerk. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2006

 

 

De Godsvraag

Zaterdag vond ik in een antiquariaat de bundel Vijf gedichten van Ed. Hoornik uit 1966. Eerste druk, met opdracht van de auteur aan ene Nico Wijnen: ‘vriendschappelijk’. Op de kaft zag ik, dat het gedicht Mattheus erin opgenomen was. Ik keek thuis in mijn oude middelbare schoolstencils en vond gedichten en aantekeningen over de dichter. Er bleek ook een kopie bij te zitten van het gedicht De Vis. Een lang gedicht over de zin van het bestaan na de oorlog en de eenzaamheid en de vervreemding die de oorlog heeft opgeroepen. Nu ik het herlezen heb, ervaar ik een soort nieuwe actualiteit voor deze gedichten en hun stemming. Geweld en oorlog zijn veel in het nieuws. Het terrorisme komt dichtbij. Bovendien merk ik steeds meer dat mensen een exclusief geloof in Jezus als de enige weg snel verdenken van fundamentalistische, lees: agressieve en gewelddadige sentimenten. Wat doet geweld met mensen?

 

Ed. Hoornik (1910 – 1970) debuteerde al voor de Tweede Wereldoorlog. Samen met Jac. van Hattum en Gerard den Brabander. Hij uitte zich al voor de bezetting tegen het Nationaal Socialisme. Begin 1943 werd hij gearresteerd en hij zat tot het einde van de oorlog in Dachau. Het duurde nogal voordat hij weer tot dichterlijk spreken kwam. Daarover schreef hij in een beschouwing over eigen werk: “Er volgt nu een periode van drie jaar, waarin ik niet schreef. De muzen daalden nooit neder in de concentratiekampen, waar ik Duitse gastvrijheid genoot, al welde er wel eens een regel in mij op, waaraan het leven echter niet was toegestaan. De dood vrat alles weg. Het lichaam vegeteerde nog maar geest en ziel doofden uit.” (Mattheus gevolgd door Uit Gemis, 36). Daarna publiceert hij weer nieuwe verzen onder de titel Ex Tenebris. “In de naoorlogse jaren met al onze rijkdommen armer, bedrukter en bedreigder dan ooit – al wil het hart altijd tegen de beter wetende rede in nog wel hopen, een wanhopig hopen –  in een tijd van collectivisme enerzijds en elders van een welhaast absolute vereenzaming, die schijnt uit te lopen op een haat tegen het bestaan zelf, in zulk een tijd zal het nauwelijks verwondering wekken, dat de dichter spreekt vanuit de duisternissen.” (37)

 

‘Een haat tegen het bestaan zelf’ – in het grote gedicht De Vis verwoordt hij het ook. Het is een vertellend, episch gedicht in de stijl van Awater en Het uur U van Martinus Nijhoff. Een man en vrouw zijn onderweg met de auto. De rit brengt op allerlei gedachten aangaande God.

 


De ziel, denkt ze, plotseling wanhopig,
bestaat slechts als God bestaat.
Maar daar weet ze verder geen raad mee.
Haar blik hangt dood in het landschap.
De wuivende hand van een kind
ziet ze pas als ze er voorbij is. (80)

 

Het is een bijna prozaïsche manier van dichten, als je let op het ontbreken van rijm. Hoewel, vergis je niet. Hij is een meester in het rijm en vaak zit het verborgen in de regels, wel degelijk. Maar de man denkt in flash-back terug aan wat er gebeurde in het plaatsje Zarauz, waaruit ze vertrokken zijn. Ik geef een lang citaat:

 


En wie kruisen daar weer zijn pad?
Het dikke kind met de bal
in het uitstaande jurkje van zij
en de stuurse kinderjuffrouw.
Door het blauwe decor van de zee
schuift onder een rookpluim een bootje.
Natuurlijk steekt daar wat achter,
denkt de man. Ik trap er niet in.
Wéér draait hij zich om en zijn ogen,
in het donker achter de bril,
bespieden een tijdlang de gevel
met de rijen gesloten blinden
en voelbaar daarachter het kijken.
Met wat voor bedoeling? Door wie?
‘Heb jij geen zin om te blijven?
’t Lijkt een goed hotel,’ zegt de vrouw.
‘En precies wat je hebben wilde:
een terras en de zee aan je voeten.’
Wat ik hebben wil, denkt de man,
is een nieuw, een schuldeloos leven;
mij, moordenaar en vermoorde,
zit de dood in armen en benen.
maar waar vind ik de menslijke rechter,
die, sinds ik God heb verloren,
de durf heeft mij schuldig te spreken,
en die als ik smeek mij te straffen,
mij antwoordt: jouw straf is bestaan.
‘En jij? Wat wil jij?’ zegt de man,
maar voor zichzelf registreert hij:
dit huis is een dodemanshuis;
ik zal, met mijn handen omhoog,
mijn gezicht naar de muur, moeten staan;
als ik omkijk, krijg ik een nekschot.
Zijn hand omknelt het servet.
Het wisselgeld vonkt op het bordje.
Zijn vrouw is al opgestaan.
Zij heeft dus gezegd, overweegt hij,
dat ze liever verder wil gaan.
Hij haast zich achter haar aan. (81-82)

 

Weinig vrolijk. Mij steekt de zinsnede: ‘jouw straf is bestaan’. Dat gaat diep. Net als die passage over schuldig spreken, door een rechter. Ik had laatst een gesprek met mensen over het leven in een huwelijk met elkaar na overspel. Hoe kun je verder? De bedrogene kan zeggen: ‘ik vergeef’ en ondertussen toch voortdurend de indruk wekken dat de bedrieger eeuwig schuldig is. Wie zal het ontkennen? Maar wie is goed en wie kwaad? Wie moordenaar en wie vermoorde? De man in het gedicht tast rond in een gestoorde werkelijkheid, omdat hij God verloren heeft.

 

En toch, Hoornik noemt dit gedicht De Vis. Een duidelijk christelijk symbool.

 


De vrouw draait de molen met de kaarten
een slag om. Dan ziet zij de vis.
Een zilveren vis op een standaard.
Een broche tussen andere broches.
Een oog, en dat oog kijkt haar aan. (91)

 

In een dorp komen zij bij de uitvaart van een verdronken vissersjongen, José. De kist wordt weggereden na de dodenmis.

 

Tussen ongeloof en geloof
baant de man zich moeizaam een weg.
Hij kijkt om zich heen op het plein.
Oud licht brandt als roest op een muur.
Een blad laat los van de boom,
het drijft op en neer in de wind,
langs de zwarte man op de bok
en verdwijnt in een put op de grond.
O God, maak de deuren nu open,
laat José de trappen aflopen,
o God, grote vis, blijf niet stom. (98)

 

Dit is bijna het einde van het gedicht. Het einde verklap ik niet. Pak het boek, lees.

 

Naar aanleiding van: Ed. Hoornik, Vijf gedichten: Mattheus, Geboorte, Requiem, De Vis, De Overweg. Amsterdam: Meulenhoff, 1966

 

Ed. Hoornik, Mattheus, gevolgd door Uit gemis (een beschouwing over eigen werk) (Cahiers voor Letterkunde).2 Amsterdam: Meulenhoff, 1970