Witte onschuld en een negerhut

De dood van Floyd George heeft veel losgemaakt. De zomer van 2020 staat geheel in het kader van het covid19-virus als deze man sterft door politiegeweld in Amerika. De grote demonstratie op de Dam in de hoofdstad is het startsein van een serie protesten in andere  Nederlandse steden – coronabeperkingen of niet. Ook in Zwolle. Ik ben niet geweest, hoewel ik die zondagmiddag wel had gekund. Soms vraag ik me af of ik niet had moeten gaan. Mijn dochter stond erbij in Rotterdam.

De twijfel wordt sterker nu ik Witte onschuld, het boek van Gloria Wekker, uit heb. Lucide weet de emeritus hoogleraar Gender en Etniciteit de mechanismen van schuld en onschuld rond het thema racisme te beschrijven. Niet eerder las ik zo’n overtuigende analyse van de Zwarte Pietdiscussie. Het schokt om je realiseren dat het al veel langer bezig is dan je denkt. Terwijl wij nog vrolijk feestvierden klonken de klachten al. De lijst met argumenten ter verdediging van Zwarte Piet is intussen zorgwekkend lang. De lijst wast echter de vlek niet weg. Hij stilt de pijn niet die mensen voelen en hij brengt het debat niet tot bedaren.

 

Want wij hebben een onverwerkt verleden. Wat heb ik als kind geleerd over het koloniale verleden van Nederland? Eigenlijk alleen de heldenverhalen van de geweldige Gouden Eeuw en de Vereenigde Oostindsiche Compagnie. Als er al strijd werd geleverd dan was het tegen de vijanden die onze vrijheid bedreigden. Dat er ook door de Hollanders velen zijn mishandeld en vermoord ter wille van onze handelsbelangen werd niet gememoreerd. Prof. Wekker schrijft: “Noch de schaamte en het ongemak die verbonden zijn met het loutere bezit van een imperium en de wreedheden ervan, die regelmatig opvlammen en vervolgens, met gemeenschappelijke instemming, weer uitdoven, noch de plezieriger aspecten van het imperium, waarvan iedereen in de metropool profiteerde, zijn goed verwerkt.” (223) Het is precies dat woord ‘verwerken’ dat moeite oplevert. Hoe zou het moeten? Eerst beschrijven en eerlijk benoemen. Uit de doofpot halen. Dan erkennen van aangedaan leed, van schuld en schaamte. Uitspreken van je falen zonder te bagatelliseren. Niet zelf de verzachtende omstandigheden noemen, laat dat een ander doen als die er zijn. Aanbieden van excuses aan eventuele nabestaande of terecht belanghebbenden. Ik snap hoe lastig dat is over een verleden van 400 jaar geleden. Ik snap ook hoe moeilijk je schuld ervaart als je niet persoonlijk hebt bijgedragen aan het kwaad. Toch blijkt steeds dat excuses van staatshoofden en regeringsleiders welkom ontvangen worden door mensen die gekwetst zijn. In deze context probeer ik te begrijpen waar de weerstand tegen een dergelijke verwerking op gestoeld is. Ik moet passages uit Witte onschuld herlezen. Dat zal me helpen.

 

In het hoofdstuk over Zwarte Piet noemt Wekker als terloops ook De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher-Stowe. In 1850 introduceerde de Nederlandse onderwijzer Jan Schenkman Zwarte Piet ‘als de gehoorzame dienaar van Sinterklaas in een geïllustreerd kinderboek.’ In diezelfde tijd verschijnt het boek over Oom Tom. Het werd een bestseller in Nederland. Wekker suggereert dat de beelden van zwarte mensen in dat boek de representaties van Zwarte Piet hebben beïnvloed. Geritualiseerde vernedering, noemt zij het. (230) Ik herinnerde mij plotseling dat ik nog een stukgelezen (!) exemplaar van De negerhut in de kast had staan. Herlezend kwamen de herinneringen terug aan Shelby en St Clare, Tom en Chloé en niet te vergeten Topsy, Haley en Simon Legree. A. van Munching is de bewerker voor de Nederlandse kinderen die helder uitgelegd krijgen hoe de verhoudingen liggen: “Wanneer een meester van de slaven in het Zuiden sterft, betekent dat voor de slaven, wanneer hij een goede meester is geweest, niets minder dan een grote ramp. Want de slaaf is volkomen rechteloos.” (96) De kwade genius in dit verhaal is Marie St. Clare. Na de dood van haar man, Augustinus St. Clare, verkoopt zij Tom die juist van haar man de vrijheid had gekregen. Uit haar mond tekenen we de duidelijke taal op: “God heeft de blanken en zwarten geschapen, de blanken als meesters en de zwarten als de slaven!” (98) Het christelijk geloof is een dominant thema in de vertelling. Marie St. Clare legitimeert haar discriminerende houding ermee, bij Tom is het de vitale levenskracht. Hij heeft zijn Bijbeltje bij zich en schaamt zich het evangelie niet. Ik vond het toch weer indrukwekkend wat Beecher-Stowe hem laat overkomen als alle hoop de bodem ingeslagen wordt. De gruwelen van Legree richten zich steeds meer op hem. Toms trouw aan de Heer wordt zwaar op de proef gesteld als hij weet dat zijn meester niet zal ophouden hem te vernederen. Dan volgt deze passage:

 

“Terwijl hij zo zat en zijn kleren doortrokken werden van de koude, natte mist, werd in zijn ziel een grote strijd gestreden. Het gebeurt vaak, dat, wanneer men zich op het diepste punt der ellende bevindt, op het punt dat men denkt: nog een stap één ik ben reddeloos verloren, plotseling, na een laatste wanhopige inspanning men er in slaagt de last van zich af te werpen en met hernieuwde moed het komende tegemoet ziet. Zo ging het Tom ook. Toen hij eenmaal de crisis doorstaan had, voelde hij niets meer van de honger, koude vernedering en teleurstelling. Hij nam afscheid van al zijn hoop en verwachting op betere tijden. Hij aanvaardde onvoorwaardelijk zijn tegenwoordige toestand en terwijl hij zijn ogen opsloeg naar de oneindige hemel, zong hij in de stille nacht een lofzang, die hij in gelukkiger dagen gezongen had, maar nooit met zoveel gevoel als nu.” (120)

 

Het klinkt bijna romantisch, maar ik geloof het. De Heer kan je op een bepaald moment zo sterk onthechten dat je de complete, ongehinderde toewijding aan God ontvangt. Je bent vrij, niemand kan je meer manipuleren. Legree moet toegeven dat hij de macht van Tom verloren heeft. (121) Als je geen enkele invloed heb om de stand van zaken ten goede te veranderen, dan is dit de ware vrijheid. Gelukkig wist Harriet Beecher-Stowe met haar boek wel degelijk krachtige invloed uit te oefenen. Daar loopt het verhaal ook op uit. Als ten slotte George Shelby thuis komt en aan Chloé moet vertellen dat haar man Tom niet meer thuis komt, ontstaat er een soort herdenkingsmoment. Een oude neger neemt het woord:

 

“Het is een schande voor de beschaving, dat de negers niet als mensen, maar als dieren beschouwd worden en daarom is het goed, dat grote mensen, zoals oom Tom er ongetwijfeld een geweest is, voor de vrijmaking van de negers in de bres staan. Wat heeft het Christendom te betekenen, wanneer het niet in staat is, om zuiver te laten leven naar de leerstellingen van Jezus, die toch gezegd heeft, dat alle mensen broeders moesten zijn. En hij heeft waarlijk geen onderscheid gemaakt tussen blanken en bruinen. Is er ook onderscheid? Neen! In allen klopt het hart, wij ademen allen met longen, en de blanken, zowel als de negers hebben een goddelijke en onsterfelijke ziel, massa George!” (137)

 

Naar aanleiding van: Glorie Wekker, Witte onschuld: Paradoxen van kolonialisme en ras. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018. Oorspronkelijke uitgave was in het Engels: White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race: Duke University Press, 2016.

 

De negerhut van Oom Tom door Beecher Stowe, uit het Amerikaans voor Nederland bewerkt door A. van Munching. Uitgave van ‘Goede Kinderlectuur’, Amsterdam. Bij dezelfde uitgever verscheen: Tom Sawyer door Mark Twain, Heidi’s meisjesjaren door Johanna Spyri en Onder moeders vleugels door Louise M. Alcott. Predikantsdochter Harriet Beecher-Stowe schreef Uncle Toms Cabin in 1852, naar men aanneemt naar aanleiding van het leven van Josiah Henson.

 

Groetjes van God

Het komt goed. Het wordt beter. Wobie kan niet anders denken dan dat Marc-Marie het tegen hem heeft. Hij kijkt met zijn ouders en broers naar De Wereld Draait Door. Naar aanleiding van een actuele gebeurtenis wil Marc-Marie Huijbregts iets zeggen tegen alle jonge mensen thuis die niet goed weten wie ze zijn. Eén ding wil de side-kick van Matthijs van Nieuwkerk kwijt: het wordt beter. Het is Kerst en Wobie heeft juist thuis verteld dat hij verliefd is op een jongen. “Ach lieve jonge toch, ach lieverd, kom hier, wat goed en fijn, kom hier, kleine lieverd van me,” reageert zijn moeder. (318) Precies wat hij nodig heeft nodig heeft na negen jaar (314) interne worsteling. Hij huilt van blijdschap. Ik huil met hem mee. De spanning is zo goed opgebouwd in dit verhaal dat ik even zenuwachtig ben als de hoofdpersoon. De voortdurende innerlijke woordenwisseling over wat er gebeurt en moet gebeuren. Het geweldige gewicht dat je aan een gebeurtenis gaat hechten. De spanning of de anderen het goed op zullen pakken. Ik ben kind als Wobie, ik ben vader als de papa van Wobie en ik smeek of de reactie van Wobie’s mama warm kan zijn. Zoveel jaren strijd, het moet tot rust komen. Bij wie kan dat anders dan bij mama? (342)

 

Chapeau, Splinter Chabot, wat een prestatie om in je debuutroman zoveel identificatie tot stand te brengen. Ik denk wel direct:  jongen, toch, je hebt nog een hele weg te gaan om als homo volwassen te worden. Je hebt me duidelijk gemaakt hoe lastig het is om in je tienerjaren uit de kast te komen, ook in een liberaal, seculier gezinsklimaat. Je vindt uiteindelijk rust bij de onvoorwaardelijke liefde van je moeder. Maar je hebt ook je vader nodig. Hij zal je leren hoe je leert omgaan met presteren en falen, met jezelf laten zien en verbergen. De samenleving vraagt van je dat je leert incasseren en toch doorgaan. Bij je moeder kom je terug, onvoorwaardelijk als ze is, maar de grote wereld is voorwaardelijk. Ook daar moet je verder, Wobie.

 

En dat geldt temeer in de christelijke wereld. Ik was geraakt door een kleine passage na de bevrijdende woorden. Wobie heeft even een momentje met zijn moeder op de late Kerstavond. “In de verte klonken de kerkklokken van kerstavond. Mama en ik keken elkaar aan. We hadden onze eigen heilige mis gehad. De klokken klonken als groetjes van God. Ook Hij gaf zijn goedkeuring. Terwijl het luiden van de klokken voortduurde bleven wij daar staan. In het donker. Arm in arm. Nog even het moment uitstellend dat we weer naar binnen zouden gaan.” (321)
Het is in zo’n eerlijk boek toch niet alleen voor de bühne, dat je God te noemt? Wobie heeft al eerder verteld hoe ze op vakantie in Frankrijk altijd naar een kerk gingen. “De geur van zonnebrandcrème, een geïrriteerde huid door de zwembroek die je al drie dagen aanhad en de kerk. Dat was vakantie. Mama stak er altijd een kaarsje aan, voor iemand die was overleden of voor de terugreis.” (108) Bij zo’n moment had hij ook al eens gedacht dat hij niet in vlammen was opgegaan. Misschien was God ook wel gay. De omkering als uiterste vorm van goedkeuring. De goedkeuring van God, wat is die belangrijk.

 

Dat heeft hij ook wel gemerkt aan Arthur. Na David en Daniel is Arthur de jongen op wie de ontluikende liefde van Wobie zich richt. Arthur is buiten de Randstad opgegroeid. Zijn vader was ‘strenggelovig’. (274) Als student in Amsterdam kan hij zich aan de invloed van een vader-met-verwachtingen onttrekken. Hij durft zich over te geven aan de eerste echt intieme ervaringen met een jongen. Wonderlijk toch dat ook Wobie met een heel andere vader, ook daar en dan pas de deksel van de pan durft te halen. (275) Zo moeilijk is het dus om te erkennen dat je ‘anders’ bent in een dominante heteroseksuele wereld.

 

Gevoelens van schande, leven op de handrem, stiltestaking, drankjes, vrijheid, ik stapel gemakkelijk een aantal thema’s uit deze mooie roman op. Wat gun ik veel jonge mensen dit boek in handen. En dan vrienden of vriendinnen om over zulke thema’s te praten. Net zolang tot je op je eigen moment een kerst als Wobie krijgt.

 

Naar aanleiding van: Splinter Chabot, Confettiregen.5 Amsterdam: Unieboek | Het Spectrum, 2020.

 

 

 

Vera Spaans interviewt Splinter Chabot in het Parool 10 maart 2020 en vraagt: “Mijn zoon is elf, en ik heb geen idee hoe hij denkt over meisjes of over jongens. Wat zou jij hem, of mij, aanraden om hem jouw worsteling te besparen?” Dan antwoordt Splinter: “Dat is heel moeilijk. Zelfs als je omgeving heel warm is. Als het badwater warm is, kan het nog steeds koud voelen, omdat de kou van binnenuit komt. Telkens als je iets negatiefs over homoseksualiteit hoort of ziet, voelt het alsof er spijkers naar binnen worden geschoten. Polen heeft nu lhbti-vrije zones. Wat betekent dat? Of Angela Merkel, die tegen het homohuwelijk stemde omdat dat politiek beter uitkwam. Dan kies je dus voor macht in plaats van voor mensen.”

“Je hebt ook in Nederland mensen die zeggen: je mag het niet praktiseren, je mag het niet zijn. Hoe haal je het in je hoofd om verliefdheid te verbieden? Terwijl: als er een God bestaat, of Allah, dan denk ik dat ze met hun engelen hele wilde avonden beleven. Er is niets zo erotisch als de kerk. Kijk naar al die glitters, alle pracht en praal, de kaarsen, de jurken, die bijna blote engelen met hun vleugels… Hartstikke leuk.”

Met wie

‘Met wie heb ik van doen?’
vraag ik aan vreemde vogels
om mij heen. Kriiir! snavelt
er een, en even later tiep!

 

Ik houd natuurlijk mijn fatsoen,
roep Mrtn! door m’n mondkap
als hij weer langs vliegt…

 

Hij heeft met mij te doen.

Trauma en heling

Een man verliest zijn vrouw en leeft vervolgens als weduwnaar bij zijn dochter en kleindochter. Het kleine meisje Jenneke is doofstom en haar vader is (ook) overleden. Op een dag breekt de dochter haar been en moet bed houden. Een groep jongeren stookt een vuurtje vlakbij het huis waar zij woont: de dochter komt om in de huisbrand. De man neemt de zorg op zich voor zijn kleinkind, maar op een slechte dag raakt het kleine meisje te water en verdrinkt. Oorzaak? Opnieuw een groep jongens. De man sluit zich in zichzelf op en staat in het dorp waar hij later gaat wonen bekend als een norse oude man die niets moet hebben van opgeschoten jongens.

 

Wij zouden vandaag spreken over een man met diverse trauma’s, beschadigde emoties en copings-mechanismen die het sociale leven sterk hinderen. Waarschijnlijk zouden wij hem aanbevelen om in therapie te werken aan het ‘verwerken’ van de trauma’s (wat dat dan ook wezen moge…) en het verbeteren van de sociale omgang. In het kinderboek Ouwe Bram plaatste de schrijver W.G. van de Hulst de man en zijn verhaal in een religieus kader. Hoe kijk je hiernaar in de wereld van de licht bevindelijke, orthodox protestante spiritualiteit van een dorpsgemeenschap aan het begin van de twintigste eeuw?

 

Het is even schakelen naar de taal van die tijd: de oude man is een ‘ijzegrim’ en een ‘nijdigerd’ (74), de jongens maken ‘jool’ (92) en een boerderijbrand wordt bestreden met de ‘dorpsbrandspuit’. (37) Maar interessanter is de focus op schuld, gebed en vergeving als de aangewezen route naar heling. Belangrijk medium vormt de figuur die zijn oordeel opschort (de dominee Larens, 31-32 en ook de vader van Hein, 102). Hij wekt bij de oude man vertrouwen en verbeeldt de vriendelijk gezindheid die de man zoekt bij God. Want er is één fundamentele aanname in deze geloofsbeleving: God alleen kent je echt. (21, 24, 31, 74) Hij kan je ziel aanraken. (32) Een schuldgevoel over het falen als ouder en grootouder neemt af als er door vriendelijkheid en trouw ruimte komt om ook Gods liefde te accepteren. (84-85)

Mooi is ook dat vooral het reddend in actie komen ten bate van de jongens die hij verafschuwt (96-102) een belangrijke helende stap is voor Abram Joris (zoals hij eigenlijk heet, 20). Spreken als het luchten van het hart heeft een plek, maar is niet de comfort zone voor de man die als visser en biezensnijder is groot geworden. Wel is er sprake van een intense innerlijke monoloog. De strijd tegen de haatgevoelens en de verrukking van het doen van het goede geeft nogal wat drukte in het hoofd van de hoofpersoon. Als de auteur de man uiteindelijk laat sterven, dan gaat hij in vrede. De dominee knielt aan zijn bedsteê neer en bidt voor de stervende. “En een wonder-heerlijke vrede daalde in Brams hart, als legde nu de Heiland zelf Zijn hand op het hoofd van de oude en zei, als eens op die zondagmorgen: “Komt tot Mij, Ik zal u rust geven!”… Bram hoorde dominees woorden niet meer, die klonken diep en vèr, maar lichter werd het om de oude heen, lichter, àl lichter…” (105-106)

 

Toch moeten we dan nog enkele pagina’s verder. Want dit is een boek voor de levenden, de lezers. Het educatief karakter van het boek is volstrekt helder: goed en kwaad worden gedaan ten overstaan van de Almachtige God. Met Hem moet je in het reine komen. Huug, Hein en Jaapje zijn de drie jongens met wie het verhaal opent, en dus ook sluit. Net als oude Bram zijn ook zij op jonge leeftijd de onschuld voorbij: sarren, stelen, hebzucht, luiheid. Het geweten wordt nadrukkelijk gevormd in de opvoeding en door de dorpsgemeenschap. Het verhaal over deze serieuze en actuele zaken is jarenlang uitgedeeld aan steeds nieuwe generaties opgroeiende jongens. Honderden duizendtallen vonden hun weg. Zo heb ook ik ooit het slot tot me genomen: “Als soms, in stille avonden, de drie jongens dwalen langs het grienddijkje, dan brandt er geen licht meer in ’t eenzame, donkere huisje, dan staren de dof-glimmende ruiten hen aan als droeve ogen van een blinde. Dan wordt het  stil in hun harten; ze durven elkander niet aan te zien. Is het wroeging? Is het berouw? Is het dankbaarheid? Is het eerbied?…” (108)

 

Ga er maar aan staan. Ik denk dat ik hier wel wat van heb meegenomen.
En dat terwijl de echt laatste zinnen een breder uitzicht bieden dan dit beklemmende. Het is als nieuw voor me nu ik tientallen jaren later het boek weer lees: “Maar de ruisende biezen suizelen hun fluisterende liedjes, als immer… de plassen zingen hun zachte zang; en de golfjes deinen en deinen, al verder… àl verder…”

Wat mooi.

 

Naar aanleiding van: W.G. van de Hulst, Ouwe Bram.20 Nijkerk: Callenbach, 1973. Met tekeningen van W.G. van de Hulst jr. De eerste druk verscheen in 1909, de twintigste druk omvat het 181-188e duizendtal. Het boek werd bekroond door de Nederlandsche Zondagsschool Vereeniging.

Wie wil lezen wat de herlees-ervaring is van iemand die het boek rond 1948 las, klik hier.

 

Vergaande empathie

Geloof ik dat je met doden kan communiceren via een medium? Ik denk dat ik in eerste instantie de vraag met ‘nee’ zou beantwoorden. Zo behoor ik tot de ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek God in Nederland vraagt dit al jaren aan de burgers en het aantal mensen dat ‘ja’ zegt neemt af. In 2006 geloofde 15% van de Nederlanders dat je met doden kan communiceren via een medium, en 20% zei misschien; een subtotaal van 35%. In 2015 is dat teruggelopen tot 24%. Tien procent weet het niet en een ruimte meerderheid zegt ‘nee’. (66%) Het zijn vooral de ongebonden kerkleden en de ongebonden spirituelen die hiervoor openstaan. (159) Ik ben een ‘gebonden’ gelovige (actief betrokken bij een religieus instituut) en mijn spirituele bronnen staan onomwonden open voor het bestaan van geesten van doden. Het bekende verhaal over koning Saul die de geest van de profeet Samuel oproept (1 Samuel 28) bevestigt dat en werkt tegelijk als een verbod om het te proberen: ‘Waarom heb je mij opgeroepen en mijn rust verstoord?” klinkt het verwijt van de dode profeet. (15)

 

In Het huis van de maskers van Daniel Hecht (* 1950) ontmoeten we Cree (Lucretia) Black. Zij is een soort psychotherapeut voor geesten en haar grote vaardigheid is de empathie, vergaand inlevingsvermogen – vergelijkbaar met de participerende observatie in de culturele antropologie. “Ze voelde aan haar eigen ruggengraat hoe Lila’s wanhopige schouders zich kromden, hoe de zenuwstuipen van de vrouw aan haar eigen wangen en wenkbrauwen trokken.” (52) Zij ervaart de onrust van de geesten. In de Amerikaanse situatie is shamanisme niet vreemd, maar het aardige is dat Cree een collega heeft die juist het wetenschappelijke en het technische voor zijn rekening neemt. Samen met Edgar Mayfield runt zij Psi Research Associates (PRA). Zij werken met hightech: infraroodcamera’s, geluidsrecorders, huidgalvanometers en wat al niet. (23, 134)
Wie wil kan via Youtube episodes van Ghost Hunters bekijken die op vergelijkbare wijze  huizen, kastelen of hele dorpen onderzoeken op spokende geesten. Jessica O’Hara suggereert in haar artikel over dergelijke programma’s dat de populariteit ervan sterk is toegenomen door nine-eleven. “Perhaps it has something to do with September 11, an event that created seismic shifts in American thinking.” (81) Op die dag bleek de publieke ruimte in de VS niet zo veilig als gedacht. De kerken zijn steeds minder de heiligdommen en de meta-verhalen van de officiële religie hebben aan kracht ingeboet. De mensen zijn meer en meer ongebonden spiritueel en zoeken toch naar de grenzen van verbeelding en rationaliteit. Terwijl de wetenschappelijke winst wordt meegenomen blijkt er toch ruimte voor het ‘sublieme’ en fascineert de geestenwereld evenzeer als dat zij angst aanjaagt.

 

Dr. Cree Black is universitair opgeleid en heeft in haar persoonlijke leven een ontregelende ervaring gehad die haar op het spoor van het paranormale bracht. Zij zag haar man Mike in Philadelphia terwijl hij in werkelijkheid in Los Angeles was. Het gebeurde op het moment dat hij daar betrokken raakte in een dodelijk ongeluk. (232v). Een zijlijn in het verhaal over het huis met de maskers is haar eigen zoektocht, als weduwe.
In haar onderzoek naar de geesten in het oude, statige Beauforte House in New Orleans ontmoet zij dr. Paul Fitzpatrick. Hij vervult de rol van de kritische wetenschapper:

 

(Cree) “De meeste geesten worden slechts door een persoon gezien. Het is slechts een kwestie van verschillen in gevoeligheid. Daarin verschilt het niet zoveel van andere zintuigen – elke audioloog kan je vertellen dat sommige mensen hogere geluidsfrequenties horen dan andere. Wijnproevers hebben een aantoonbaar scherpere smaak- en reukzin.”
(Paul) “Maar, ik bedoel… een man met een zwijnenkop, een pratende wolf? Zijn dat typische bewoners van de andere wereld?”
(Cree) “Er is maar een wereld – deze. Hij is alleen groter en vreemder dan wij weten.” (98)

 

Dat is de geloofsbelijdenis van het wereldbeeld in de thriller. Als dat waar is dan hebben mensen er serieus werk aan om zichtbare en onzichtbare dingen aan elkaar te passen. Ruim 400 bladzijden lang zijn de karakters boeiend en de wendingen geloofwaardig. Tenslotte gaat het om het vinden van rust en balans bij de overlevenden. Lila Warren moet in het reine komen met haar vader Richard. “Ze moest elk restant van onbewuste beschuldigingen aan het adres van haar vader uitwissen als zij de confrontatie met hem wilde aangaan en zijn liefde wilde accepteren.” (396)

 

Cree Black moet ook zelf met haar issues aan de slag. De liefde meldt zich tussen haar en Paul. Ook al is Mike al negen jaar dood, toch kan zij zich nog steeds niet overgeven aan een nieuwe verbinding vol kwetsbaarheid. Aan het eind komt het goed maar dat gaat niet vanzelf: Cree’s empathie met haar cliënten omgekeerd evenredig is aan die met haar eigen zelf. In elk geval moeten in New Orleans alle maskers af. En dat was ten tijde van koning Saul ook al zo.

 

Naar aanleiding van: Daniel Hecht, Het huis van de maskers.6 Amsterdam: Sijthoff, 2005. (Oorspronkelijke titel: City of Masks, 2003. Opvallend, de Engelse titel verwijst naar New Orleans als de stad van de maskers – zie 36 en 279 – terwijl de vertaling wijst op het huis.) “Dit boek is opgedragen aan Christine Klaine, buurvrouw, vriendin en medewerkster, die bij me kwam met een geweldig idee voor een reeks romans over een buitengewone geestenjaagster…” [5] Voor de website van de auteur, klik hier.

In The Haunting of Hill House van Shirley Jackson gaat het ook om een huis vol geesten maar blijkt het vooral om de psyche en de relaties van de aanwezigen te gaan.

 

Ton Bernts, Joantine Berghuijs (met een voorwoord van Joep de Hart), God in Nederland 1966-2015. Utrecht: Ten Have, 2016

 

Jessica O’Hara, “Making Their Presence Known: TV’s Ghost-Hunter Phenomenon in a “Post-“ World.” In: The Philosophy of Horror (edited by Thomas Fahy). Kentucky, The University Press of Kentucky, 2012, 72-85