Conny Coll, mijn jeugdheld

Het boek is uit en het is gewoon jammer. Ik ben terug in de tijd geweest. Net als in mijn vroege pubertijd leefde ik in Texas en Arizona en volgde ik mijn held Conny Coll. Ik las de pockets met de schietende cowboy linksboven op de kaft. Ik verslond destijds het ene deel na het andere. Conny Coll schoot sneller dan iedereen in het Wilde Westen. Hij had een grote zwarte wolfshond bij zich en reed op een prachtig paard dat enorme snelheden kon bereiken. Op een goede dag, kort geleden, kwam ik op de antiquariatensite Boekwinkeltjes terecht en kon het niet laten. Ik bestelde Omnibus 1, met drie delen uit de serie van meer dan tachtig boekjes: Trixi, Marjou en Zeven dode heuvels. Ik begon direct en weer vond ik het machtig mooi. Mijn vrije kind leeft nog steeds.

 

Konrad Kölbl leefde van 1912 tot 1994. De in München geboren Duitser gebruikte voor de Nederlandse markt de naam Conrad Kobbe. Hij is goudsmit en journalist geweest en begon in de jaren vijftig met de westernserie. Het eerste deel, Trixi, verscheen in 1951. “In zijn beste periode lukte het Konrad Kölbl om twee boeken per maand te schrijven, te corrigeren en te publiceren,” lees ik op zijn wikipedia-pagina. Een respectabele productie. Nu ik de eerste drie delen weer herlas, is helder hoe hij zich richt op jong publiek. We komen de held voor het eerst tegen als hij dertien is. De wereld is vooral heel mannelijk en blijft overzichtelijk opgedeeld in goede en slechte mensen, waarbij de eersten de laatsten verjagen of naar de hel sturen. Het recht moet z’n loop vinden met goddelijk goedvinden.  Mens en dier en natuur kunnen in harmonie leven en de moderniteit wordt ten onrechte als ‘beschaving’ verkocht (denkt u nu ook aan Karl May?)

 

De opening van het eerste deel geeft direct het dilemma aan: is de jonge Conny wel geschikt voor het harde leven op de prairie? “De lange, slanke dertienjarige knaap had niet bijzonder opvallends. Misschien waren de handen wat fijner dan die van zijn, een kop groter en een jaar ouder zijnde broer Tom, hij was dan ook wat soepeler en minder luidruchtig in zijn bewegingen. Zoals dat goedgevormd lichaam zich voortbewoog, moest men onwillekeurig denken aan een jonge panter. Die, nog wat onervaren en aarzelend, zijn buit besloop. Maar overigens, neen, opvallen deed hij niet meer dan iedere jongen van zijn leeftijd met zijn deugden en ondeugden, zijn kracht en zijn zwakheden. Hij had een zachte, innemende stem en staalblauwe ogen. Een ding kon zijn vader Tom Coll, en zelfs ook zijn lieve moeder Ann niet bekoren. De jongen was een dromer, een nietsnut, zoals vader Tom meermalen zei. Het liefst zat hij de bij de put, midden op het rancherf en Tom Coll had dikwijls moeite zijn afkeer te onderdrukken als de knaap daar op de stenen putrand uren vermijmerde. Daar kon niets uitgroeien voor een streek als deze, waar kerels met een sterke wil en harde vuisten vastbesloten moest aanpakken als zij iets wilden bereiken.” (Trixi, 5)

 

We komen er snel achter: juist het Wilde Westen heeft een jongen als Conny Coll nodig om orde op zaken te houden. Er lopen boeven rond en in de taal van toen zijn dat: kletsmajoors, snijbonen, bengels, hooiossen, vlegels, drekmuilen en galgenbrokken, kleurrijke en volstrekt verdwenen taal uit een recent verleden. De schurken stelen en roven, onschuldigen worden belaagd en vernederd en Conny Coll neemt dan ongenadig wraak. Het eerste stel van wie de dood meemaken, is de Klaverbladbende die zijn paard omleggen. De kogel was weliswaar voor Conny bedoeld, maar zijn roodschimmel werd geraakt. “Conny Coll had tot dusver iedere menselijke vriend, die slachtoffer van een gemene moordaanslag werd, gewroken. Maar de Rooie was meer dan een toevallige vriend geweest en dus zou hij zeker gewroken worden. Bitter gewroken.”  (Trixi, 59) Later krijgt de jongeman enige legitimatie als hij de eerste special agent wordt van de Lange Rijders van overste Sinclair. Naast Conny komen we in de serie de G-mannen als Hall Steve, Neff Cillimm en Samuel Brady tegen. Elke sheriff krijgt bericht dat zij deze mannen moeten helpen als zij law and order komen herstellen. Conny is niet alleen meester op de colts, maar ook in het boksen. Hij is door de wildernis gevormd en bevriend geraakt met de Siouxstam van de Ogalala indianen.
Aan welke kant van de wet sta je?
Ik weet niet of ik dat als jongen van dertien als les uit de boeken oppikte. Maar het was wel een prima wereld om in je verbeelding in rond te rijden, op een prachtige zwarte hengst. Dat die Satan heette, dat maakte niet zoveel uit. Waarachtig, ik vind het nog steeds leuk.

 

Naar aanleiding van: Conrad Kobbe, Conny Coll Omnibus 1: Trixi, Marjou, Zeven Dode Heuvels. Rotterdam: Ridderhof,1975. (Oorspronkelijk in het Duits geschreven: Trixi, 1951, Marjou 1952, Sieben tote Hűgel, 1955). Klik hier voor een Duitstalige website over de auteur en zijn held. Van elke titel wordt een samenvatting gegeven.

 

 

Het derde deel in deze omnibus, Zeven dode heuvels, speelt in het voorjaar van 1906 in San Francisco. Op 18 april beleefde de stad een aardbeving, 7,8 op de schaal van Richter naar men inschat. Veel schade richtte de brand aan in de stad. Klik hier voor de wikipedia-pagina. Je vindt bijzonder filmmateriaal uit die tijd over de ravage in de stad.
In het Conny Colldeel is Abe Ruff de grote schurk die het moet afleggen tegen de held en zijn zwarte wolf. Het boek eindigt zo:

 

“Amadeo Giannini overleed in 1949 aan een ouderdomskwaal en bij zijn nagelaten papieren vond men als een der zorgvuldigst bewaarde stukken de eerste op papier van de nieuwe druk na de aardbeving uitgeschreven cheque, een cheque ter waarde van ruim tienduizend dollars en ondertekend met de naam Abe Ruff. Een naam die men in Frisco nog altijd niet uitspreekt als men de goede toon in acht wil nemen.
Alleen noemen grootvaders hem soms als zij hun kleinkinderen vertellen over de daden van Frisko-Jack en Old Death en Conny Coll, die in de dagen van de grote ramp voorkwamen, dat de schande een terreur der misdadigheid de nieuwe stad bespaard kon blijven. En het zijn de namen dezer mannen, die het onvergankelijkst bewaard blijven omdat zij leven in de volksverbeelding, die door de tijden heen zal blijven putten uit de onvergankelijke feiten der geschiedenis.” (Zeven dode heuvels, 476)

 

Gevaarlijke opwarming

Als de opwarming van de aarde één graad Celsius is en niet verder stijgt, zullen we de veranderingen zien doorzetten die nu al gaande zijn. Het is geregeld in het nieuws dat de gletsjers smelten, op de Kilimanjaro in Afrika en aan de Noordpool. Soms denken mensen in dit verband dat de warme gebieden als de Sahara nog verder zullen verdrogen. Maar dat kan wel eens anders uitpakken. “Although the forecasts are tentative and uncertain, both paleoclimatic studies and computer models suggest that the reverse might be true,” lees ik in het boek Six Degrees: Our Future on a Hotter Planet. “As other parts of Africa shrivel in the heat, could the Sahel end up as a refuge?”(41)

 

Ik las recent dit boek van journalist en klimaatactivist Mark Lynas. Hij publiceerde het boek in 2008 als populair leesboek over de tot dan toe bekende resultaten van wetenschappelijke onderzoek naar de gevolgen van opwarming van de aarde. De titel dekt de lading: per hoofdstuk lezen we wat modellen voorspellen over de gevolgen van opwarming met 1,2,3,4,5 of 6 graden Celsius. In het eerste hoofdstuk komt dan de Sahara ter sprake. Er zijn plaatsen waar het kwik oploopt tot 58° Celsius. Maar er zijn andere tijden geweest. Op plaatsen waar nu geen menselijk leven voorstelbaar is, zijn Neolithische tekeningen gevonden (het neolithicum of de jonge of nieuwe steentijd is een prehistorische periode die ca. 11.000 v. Chr. begon, en duurde tot de bronstijd). Opgegraven vishaken wijzen op de aanwezigheid van water waar dat nu niet te vinden is.

 

Lynas verwijst naar foto’s van de space shuttle Endeavour uit 1994. Op de site van NASA kan ik die foto’s vinden. Zij tonen aan dat onder het zand oude rivierbeddingen liggen. Ik lees dat de foto’s onthullen wat het water in het verleden heeft gedaan: “Water leaves its mark on the land, cutting channels and canyons where rivers flowed and leaving depressions where lakes once pooled. In the Sahara, however, these features are filled with sand. A scientist would have to look under the sand to find the imprint of water from wetter climates. These images of the Safsaf Oasis in south-central Egypt do just that: the top image shows the surface of the desert, while the lower image reveals the water-carved rock under the sand.”

 

Lynas vertelt dat de opwarming van het land sterkere moessonregens tot gevolg heeft. De Afrikaanse moesson is zwakker dan die in India, maar dat lijkt te veranderen volgens de modellen. Zou dat de vergroening van de Sahel opleveren? Hij geeft eerlijk aan waar voorzichtigheid geboden is. Het verleden is geen perfecte analogie voor de toekomst. Hij maakt er wel een aardige afrondende opmerking bij: “According to some historians, the greener Sahara of 6,000 years ago as the geographical basis for the mythical Garden of Eden, its original inhabitants expelled not by God for bad behavior but by devestating drying of the climate. While scientists continue to argue over the specifics of the likely climatic future of the Sahara and Sahel, one thing seems clear: Humanity will not be returning to Eden any time soon.” (45-46)

 

De strekking van het boek is helder: opwarming tot boven de twee graden brengt ons in een levensbedreigende dynamiek. Het ‘tipping point’ wordt bereikt (46, 270) en de ene ontwikkeling gaat de andere versterken. Wat er met zes graden opwarming dreigt te gebeuren, is bizar. Maar ook al eerder gaat de klimaatverandering sociaal-culturele gevolgen hebben: grootscheepse migratie en strijd om schaarse middelen. (101,107,125,219,230-237) Daarom moeten we onze uitstoot terugbrengen. Dan zullen we een ‘safe landing’ krijgen, ergens tussen de een en twee graden opwarming. In 2008 baseert Lynas zich op de laatste rapporten van de ICPP (2007) als hij zegt dat we nog een tiental jaren hebben. “This is an urgent timetable, but not an impossible one. It seems to me that the dire situation that we find ourselves in argues not for fatalism, but for radicalism.” (270-271)

 

Het boek zet me in 2019 zeer aan het denken. Aansluitend bij het laatste: hoe verhoudt zich onze verantwoordelijkheid als mensen tot de eigenzinnige evolutionaire gang van de natuur? Ik realiseer me ineens dat het grote verschil met elke vroegere periode van planeet aarde vooral de mensheid is: 6 miljard en groeiend. Ik wil in de toekomst meer aandacht voor deze kwesties vragen in de rol van voorganger. Bewustwording en stimuleren van duurzaam leven door de geloofsgemeenschap waarin ik functioneer, in een combinatie van seculiere en christelijke motieven. M en ik willen zelf het goede voorbeeld geven door verder te gaan met het ontdekken hoe we minder afhankelijk kunnen worden van fossiele brandstoffen. Ik ben intussen het boek aan het herlezen. Ik zoek bronnen op en probeer de laatste ontwikkelingen in beeld te krijgen. Heeft Lynas in 2008 goed gezien wat er nu gebeurt? Ik ben niet alleen aan het denken gezet, merk ik, ik ben ook aan het werk gezet door dit bijzondere boek.

 

Naar aanleiding van: Mark Lynas, Six Degrees: Our Future on a Hotter Planet. Washington, D.C.: National Geographic, 2008

 

 

Eelco den Boer deed me het boek cadeau bij mijn afscheid van de gemeente in Delft, september 2019. Hij schreef er dit bij: “Beste Simon, dit boek heb ik al langere tijd geleden gelezen, en het gaf mij het inzicht dat klimaatverandering niet alleen tot verlies van ecosystemen en soortenrijkdom leidt, maar dat het echt desastreuze gevolgen voor de mensheid heeft. Al lezende kwam ik tot de schokkende conclusie dat klimaatverandering niet alleen leidt tot vele doden door zwaar weer, maar ook tot enorme vluchtelingenstromen vanwege gebrek aan drinkwater door smeltende ijskappen, die mogelijk leiden tot oorlogen…. (p. 102v.)

Onder christenen is er naar mijn idee veel te weinig aandacht voor de verstrekkende gevolgen van klimaatverandering. Met onze – verholen – collectieve olieverslaving laden wij allen een schuld op onze schouders.

Het sluit mooi aan bij één van de laatste preken die je hield in Delft. Bevrijding van deze verslaving, leiderschap, en verandering van mentaliteit en gedrag zijn hard nodig onder christenen. Een uitdaging voor ons allen! Ik wens je alle goeds en veel zegen toe in Zwolle!

Groeten, Eelco den Boer.”

De waarheid moet op tafel

Het eerste boek dat ik las van Joris Luyendijk ging over beeldvorming in de media. In Het zijn net mensen (2006) beschreef hij hoe onze blik op het Midden-Oosten wordt gevormd, gefilterd en gemanipuleerd. Er zijn mensen, groepen, instanties die belangen hebben. Belangen worden niet altijd met eerlijke middelen nagestreefd en bereikt. Daarom verbergen zij graag iets. Of veel. Goed journalistiek vakwerk komt in de mediadynamiek. “Ook in Europa blijkt uit alle kijk-, luister- en oplagecijfers dat mensen liever meeleven met het vertrouwde gezicht van de anchorman dan met de saaie kop van een deskundige. Ze zien liever korte filmpjes over wij tegen zij dan complexe analyses over botsende belangen, laat staan historische achtergronden waar het land slecht uit komt. En ook in Europa worden hoofdredacties primair afgerekend op kijk, luister- en oplagecijfers.” (214)

 

Onafhankelijke onderzoekjournalistiek is dus nodig. En een podium voor een goed verhaal. En een publiek dat hiernaar wil luisteren. Hermann Huppen neemt dat als uitgangspunt om een sterk verhaal over Afrikaanse neushoornstropers te vertellen. Het is bekend dat in Azië de hoorn van de neushoorn zeer gewild is. “Het wordt vermalen tot een fijn poeder of gefabriceerd in tabletten voor de behandeling van diverse ziekten zoals beroertes en koorts en kanker. Het bedrag dat men bereid is te betalen voor een enkele neushoorn hoorn ligt op de zwarte markt hoger dan het bedrag voor zowel goud als cocaïne. De hoorn wordt ook gebruikt voor artistieke snijwerk. In de Griekse mythologie, werden zij gezegd dat de hoorn de mogelijkheid bezat om water te zuiveren. De oude Perzen van de 5e eeuw voor Christus dacht dat de schepen gesneden uit de hoorn konden worden gebruikt om giftige vloeistoffen te detecteren. Bellen in het water zou de aanwezigheid van een aantal gifstoffen bepalen. Internationale studies komen echter tot een eensluidende conclusie dat neushoorhoorn geen medische eigenschappen bevat.” (klik hier voor de website stopstroperij)

 

Charlotte is een nog jonge journaliste. In het stripverhaal Afrika van Hermann wil zij reportage maken door enkele dagen met Dario Ferrier op te trekken.

 

 

Hij is wachter in een Afrikaans natuurreservaat en hij houdt er onorthodoxe methoden op na om de dieren te beschermen. Hij heeft een militair verleden, hij heeft er nog geregeld nachtmerries over (19, 40, 48). Hij blijkt de oude vaardigheden als commando nodig te hebben om te overleven in de jungle. Want hoewel hij zich niet politiek wil bemoeien, komt hij er – samen met Charlotte – toch mee in aanraking. Het regeringsleger van het land moordt een stam van politieke tegenstanders uit door mortierbeschietingen. (12, 26) Het soort munitie wijst op betrokkenheid van buitenlandse machten. (31) Charlotte maakt foto’s en al snel begrijpt Dario dat het leger weet dat zij getuigen zijn. Er is maar een uitweg: vluchten naar een buurland. Eenmaal daar aanbeland laat hij plotseling Charlotte achter. Zij kan haar verhaal gaan doen om de misstanden aan de kaak te stellen. Als iemand haar vraagt: “Kunt u ons Dario Ferrier beschrijven?” antwoordt zij: “Ik denk dat niemand hem echt kent. Hij blijft een raadsel voor me. Ik weet één ding: hij redde mijn leven.” (53)

 

Het is een typische Hermann-passage. De mensheid is een destructief geheel. Hebzucht en wraak zijn de mechanismen die de vernietiging aandrijven. Soms zijn er momenten van hulp en redding. Maar het kwaad is een veelkoppig monster. Elke kop die wordt afgehakt is er een. Zo eindigt de strip met een radiobericht: “… het werk van een gek of een terroristische aanslag? Een sportvliegtuigje propvol explosieven is neergestort op het luxeverblijf van het bedrijf Ferguson in Tasmanië tijdens een grote receptie ter ere van de hoofdaandeelhouders. Behalve veel schade zijn er talrijke slachtoffers. Het onderzoek begint pas en…” (56). Wij weten als lezers dat de handelsbelangen van enkele landen op de achtergrond spelen (14-15,19). Dario is op zoek gegaan naar de hoogste laag verantwoordelijken in deze kapitalistische jungle. Ten koste van zijn eigen leven gaat hij de strijd aan. Ook ten behoeve van de dieren in de Afrikaanse savanne. (53)

 

Hermann is met zijn strip een soort Charlotte. Vanaf de tekentafel wil hij net zo verontrustend zijn. Want hij is verontwaardigd.

 

Naar aanleiding van: Hermann, Afrika (Collectie Getekend). Brussel, Lombard, 2007

 

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen: Beelden uit het Midden-Oosten. Amsterdam: Podium, 2006

 

Over de andere Afrika-verhalen van Hermann schreef ik eerder de blogs Zorro wint in stripverhalen (over Missié Vandisandi) en Rémy Georget is geen Kuifje (over Terug naar Congo).

 

Rémy Georget is geen Kuifje

 

Het lijkt alsof de figuren in de laatste jaren kleiner worden. Hermann tekent mannen en vrouwen meer gedrongen dan voorheen. Sfeer weet hij door kleur uitstekend op te roepen. Dieren zijn goed in proportie, maar de menselijke spelers in de scenario’s hebben naar mijn idee ingeboet aan kracht in de weergave. En niet elk scenario van zoon Yves is overtuigend.

 

Dat laatste is het geval in Terug naar Congo. Wij volgen Rémy Georget, journalist uit Brussel, op een reis naar Congo. Hij was niet degene die namens de Gazet ‘Le Matin’ (De Morgen) zou gaan. Dat is Alfred Lambillon. Maar het lichaam van Evariste Brancard wordt verdronken gevonden en toevallig komt Rémy erachter dat hij een oom heeft in Congo die aan deze Evariste gelieerd: Célestin. De dood van Evariste blijkt moord te zijn. Dat is ons lezers vanaf het begin helder. Augustin Blom is namelijk na achttien jaar uit de gevangenis vrijgelaten en hij heeft zich voorgenomen wraak te nemen. Met onder andere Evariste en Célestin heeft hij in Congo een grote som geld bij elkaar gehaald zonder ervan te kunnen genieten. Zijn kameraden van voorheen hebben dat wel gedaan en moeten ervoor boeten. Zij bevinden zich in Congo en dus zal de ontknoping daar plaatsvinden.

 

Tot zover hebben we nog een redelijk motief voor een wraakverhaal. Nu blijkt ook de Belgische koning in Congo op bezoek. “Ik steek mijn hand ervoor in het vuur dat Blom ergens op broedt,” zegt Egide Serpolet, een volgende ex-vrienden van Blom, “Hij wil zich wreken op het verraad van koning Leopold II, reëel of niet. Dit verhaal is helemaal niet afgelopen.” (50)

 

Het verhaal speelt zich af in 1928 (6,18,23,31,33,50). Toen regeerde koning Albert I (van 1909 tot 1934). Blom heeft achttien jaar vastgezeten, dus het gaat om iets dat plaatsgreep voor 1910. Dat kan dus inderdaad gaan over iets dat koning Leopold II gedaan heeft. Wat dan? We krijgen het uit het verhaal niet helder.
Wel is bekend dat Leopold II nooit in Congo is geweest. Het fenomenale boek van David van Reybrouck over Congo vertelt dit: “Op 1 juni 1885 ontwaakte koning Leopold II in zijn paleis te Laken als een ander mens: naast koning van België was hij vanaf die dag ook nog eens soeverein van een nieuwe staat, de Congo-Vrijstaat. … Leopold II zou vanaf zijn investituur in 1885 tot aan zijn dood in 1909 nimmer een voet in zijn Congo zetten.” (71) Officieel had België dus niets te maken met Congo. Maar door beroerde ontwikkelingen daar komt de koning onder druk te staan om zijn overzees gebied op te geven. “Maar op 15 november 1908 was het zover: op het nationale Feest van de dynastie liet de dynastie de Vrijstaat-Congo los. Die term ‘vrijstaat’ was inmiddels nogal achterhaald voor een gebied zonder vrijhandel, vrije arbeid of vrije burgers. In de plaats was een regime gekomen dat draaide rond een monopolie-economie, dwangarbeid en horigheid. Voortaan zou het gebied ‘Belgisch Congo’ heten.” (111-112)

 

Rémy verijdelt de aanslag op de Belgische koning. Oom Célestin offert zich op en neemt Blom mee in de ondergang. Een bekend motief in heldenverhalen. De man die als dronkaard door heel het verhaal neergezet wordt, stijgt boven zichzelf uit. Het is te dun in het verhaal om er het statement van de strip van te maken. Rémy wordt gezuiverd van de verdenking dat hij een moord heeft gepleegd en ontvangt als dank van de koning de Leopoldsorde. (55) Op de Hermann-website wordt de vergelijking gemaakt met Kuifje en het lichtvoetige van deze one-shot aangewezen. “…een avontuur dat de stappen volgt van een fictieve Hergé genaamd Rémy Georget (naar Georges Rémi, zijn echte achternaam) op Congolese bodem in een burlesk avontuur… Een soort imaginair ontstaan van Kuifje met een ongebruikelijke en lichte toon die contrasteert met de gebruikelijke productie van Hermann.”
Het zal waar zijn, maar overtuigen doet het nauwelijks.

 

Naar aanleiding van: Hermann en Yves H, Terug naar Congo. Antwerpen: Glénat, 2013 (vertaald uit het Frans, oorspronkelijke titel: Retour au Congo).

 

David van Reybrouck, Congo: Een geschiedenis.5 Amsterdam: De Bezige Bij, 2010: “Van de rubberpolitiek had Zuid-Katanga nooit zoveel last ondervonden, maar nu werd de regio meegesleurd in een meedogenloos kapitalisme. Dat bracht Andre Yav, de voormalige boy, tot een hoogst merkwaardige maar erg veelzeggende conclusie: hij besloot dat koning Albert I veel slechter was dan Leopold II, die tenminste nog ‘de wetten van Afrika en Congo respecteerde’! Dat vergde enige toelichting: ‘In de tijd van koning Leopold II aten de boys samen met de blanken aan één tafel. De blanke zag hem als een werknemer. Zij waren niet als de blanken die na Leopold II kwamen. Toen hij stierf, volgde koning Albert I hem op. Die blanken namen strenge besluiten, en hun besluiten waren echt heel slecht. Zij waren het die een slecht soort slavernij brachten voor ons, Congolezen.’” (139)

 

Kus op de bloedeloze mond

Als Jezus na lang zwijgen de negentigjarige groot-inquisiteur op de mond kust, de bloedeloze mond, dan ben ik diep onder de indruk. In Dostojewski’s roman De gebroeders Karamazov vertelt Iwan het verhaal van de groot-inquisiteur aan zijn broer Aljosja. Al lezend loopt de spanning op. De oude katholieke kerkleider in het middeleeuwse Sevilla loopt verschrikkelijk leeg tegen de Heer. Het zit hem enorm dwars dat Jezus Christus langskomt, genezend en al, op de dag na de terechtstelling van honderd ketters. Daarom heeft Hij de Heer laten arresteren om Hem de volgende dag ook te verbranden. “Antwoord niet, zwijg stil. Wat zoudt u ook kunnen zeggen? Ik weet maar al te goed wat u zeggen zoudt. Maar u hebt het recht niet om nog iets toe te voegen aan uw woorden van vroeger. Waarom bent u ons komen hinderen? Want u bent immers gekomen om ons te hinderen en dat weet u zelf heel goed.” (252, zie ook 254, 260, 263)

 

Waarom komt u ons hinderen? Deze vraag is terechtgekomen in een recent handboek Christelijke Dogmatiek. Terecht, het is de meest nuttige vraag voor elke nieuwe generatie christenen. Deze vraag helpt je namelijk het laatste oordeel van de Heer voor te bereiden. Dan zal Hij vragen of de kerk Hem gediend of gehinderd heeft. Daarom moet je je nu durven laten hinderen, om op het goede spoor te blijven.
Het mooiste van dit ‘gedicht van de groot-inquisiteur’ is dat er een sterk overtuigd leider aan het woord is. Hij neemt Jezus Christus’ leven en werk zo serieus dat hij meent dat er een verbeterde versie van nodig is. Het springende punt is: Jezus overvraagt de gewone man. Een elite kan de vrijheid aan en meekomen met de rijk van Jezus, de massa echter niet. De groot-inquisiteur heeft het geprobeerd, maar hij kwam tot inkeer: “U verheft u op uw uitverkorenen, maar die uitverkorenen zijn dan ook uw enige bezit. Maar wij zullen alle mensen tot rust brengen.” (261) “Maar ik kwam tot bezinning en wilde mijn diensten niet aan de verdwazing lenen. Ik ben op mijn schreden teruggekeerd en heb me gevoegd bij de schare die uw werk verbeterd heeft.” (263)

 

Bram van de Beek en Herwi Rikhof noemen in hun boek Wij geloven dit verhaal een van de mooiste en diepzinnigste commentaren op Jezus’ veertig dagen in de woestijn. (60) Jezus heeft de duivel verworpen die hét middel aanbood om de hele mensheid te verzorgen: wonder, mysterie en autoriteit. De mensen kunnen de vrijheid van Jezus’ evangelie niet aan. Daarom is er een strakke leiding nodig. De mensen zullen er zelfs om smeken. De geweldige demon heeft het goed gezien. De Rooms-katholieke kerk is eeuwen geleden hem gaan volgen, in plaats van Christus. De kerk verbetert het werk van de Heer en wil daarom niet dat Hij nu langskomt om in de weg te lopen: de ketterverbranding moet doorgaan en Jezus zal daarom de volgende zijn. “Aldus heeft u persoonlijk de grondslag gelegd voor de ineenstorting van uw koninkrijk,” bijt de groot-inquisiteur de zwijgende Jezus toe, “en daarvoor kunt u niemand anders verantwoordelijk stellen. En wat werd u ondertussen aan de hand gedaan? Er zijn drie krachten, de enige drie krachten op aarde die in staat zijn het geweten van deze zwakke rebellen tot hun eigen geluk te overwinnen en in boeien te slaan en dat zijn: het wonder, het mysterie en de autoriteit.” (258, zie ook 259)

 

Hier ben ik helemaal in het verhaal opgenomen. Ik ben zelf kerkleider en herken het gevaar van  controle en dwingend kerkbestuur. Voor ketterverbranding zijn we te beschaafd maar het verlangen is sterk om de mensen te zien als kinderen die vaders nodig hebben. Het Bijbelse taalveld en het kerkelijk jargon sorteren daarop voor: God is Vader, wij zijn kinderen, de pastor is herder, de gelovige schaap. Hoe kom je tot een volwassen geloof als je steeds in de positie van kind wordt geplaatst? Ik ontdek dat ook de groot-inquisiteur niet vrij en niet volwassen is. Hij is de ouder, kritische of voedend, die nu eens eindelijk de gelegenheid te baat neemt om de Heer zelf als kind te behandelen. Dostojewski is psycholoog genoeg om te weten wat zo’n razende bejaarde eigenlijk verwacht. “… als de inquisiteur uitgesproken is wacht hij enige tijd op wat de gevangene hem zal antwoorden. Diens zwijgen valt hem zwaar. Hij heeft gezien dat de opgeslotene hem al die tijd rustig en aandacht heeft aangehoord en hem daarbij recht in de ogen heeft gekeken zonder kennelijk iets tegen zijn woorden in te willen brengen. De grijsaard had graag gezien dat zijn gevangene hem althans iets terug zei, al was het nog zo bitter en vreselijk.” (265)
Maar dat doet Jezus niet. Hij laat zich niet manipuleren door deze door onbetwiste machthebber. Hij is werkelijk de Volwassene. Hij neemt zichzelf serieus, hij neemt deze onrustige oude man serieus en ziet de werkelijk behoefte: geliefd worden, dat eerst. “Maar opeens komt de  gevangene op de grijsaard toe en kust de negentigjarige op de bloedeloze mond. En dat is al wat hij te antwoorden heeft. De oude man huivert. Hij trekt in zijn mondhoeken; hij loopt op de deur toe, opent die en zegt tegen de gevangene: ‘Ga heen en kom niet meer terug… kom beslist niet terug, nooit, nooit meer!’ En hij laat hem gaan ‘door der stad duistere straten’. De gekerkerde verdwijnt.” (265)

 

Jezus’ liefde geeft ruimte voor heling. Maar ook tot je eigen genezing dwingt Hij niet. Als de groot-inquisiteur hem wegstuurt, verdwijnt de Heer. Levend en wel. “Dostojewski laat Aljosja zeggen dat het geheim van de grootinquisiteur is dat hij niet in God gelooft. Misschien is het preciezer te zeggen dat hij niet in de God gelooft zoals die in de prediking, in het doen en laten van Jezus Christus naar voren komt, niet in de God die de Vader is van deze Zoon. De duivel biedt een andere visie aan. De duivel is een theoloog, alleen geen christelijke.” (Van de Beek en Rikhof, 63)

 

Wat een vrijheid. Mooi is dat Aljosja direct het voorbeeld van de Heer navolgt bij het afscheid van Iwan (266, 267) Ware christelijke vrijheid is bijna onbereikbaar. Maar je kunt er wel in oefenen op momenten die ertoe doen.

 

Naar aanleiding van: Fjodor M. Dostojewski, De gebroeders Karamazov. Utrecht/ Antwerpen: Veen, 1981. Vertaald uit het Russisch door Marko Fondse. Het ‘gedicht’ (zoals Iwan het noemt) over de groot-inquisiteur is het vijfde hoofdstuk van het vijfde boek, opgenomen in het tweede deel van de roman. In de Nederlandse vertaling te vinden op de bladzijden 249-267. Het is Dostojewski’s laatste grote roman, geschreven tussen 1877 en 1880. “De drie broers Karamazov vertegenwoordigen heel verschillende karakters: Dmitri is de romanticus; Ivan is de intellectueel en atheïst, en daarmee vertegenwoordiger van alles wat Dostojevski verafschuwde; Aljosja is de minst extreme van de drie; hij is aan het begin van het boek een novice en verkeert onder invloed van de oude wijze monnik Zosima. Geloof is voor hem iets vanzelfsprekends waarzonder hij niet kan leven. …  Het hoofdthema is echter geloof tegenover verstand, de vraag hoe je geloof in overeenstemming met je verstand kunt brengen. En ook, naarmate het verhaal vordert, steeds meer de superioriteit van geloof boven verstand, van het intuïtieve weten boven de met feiten gestaafde argumentatie.”  (Arthur Langeveld, Russische literatuur in een notendop. Amsterdam: Bert Bakker, 2006, 70-71)

 

Bram van de Beek en Herwi Rikhof, Wij geloven: Rooms-katholiek en protestant: één geloof. (De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel uitgelegd). Utrecht: KokBoekencentrum, 2019

 

 

Karel van het Reve, Geschiedenis van de Russische Literatuur: Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov.5 Amsterdam: Van Oorschot, 1990: “Daar er in zijn werken nogal eens figuren voorkomen met afstotende karaktertrekken – in de Gebroeders Karamazov heb ik niemand aangetroffen met wie ik ook maar een minuut in een vertrek zou willen vertoeven – heeft men bij Dostojevski zelf ijverig naar afwijkingen gezocht, maar behalve zijn norsheid en neiging tot het maken van schulden en zijn hartstocht voor de roulette en zijn nationalistische vooroordelen heeft niemand iets gevonden, of het moest de opgewondenheid zijn die hem kenmerkt en waaraan zo velen van zijn romanfiguren lijden. Als bij Dostojevski A tegen B zegt: laat ons een eindje gaan wandelen, dan is de kans twee op drie dat de reactie van B beschreven wordt als ‘Ja graag, verheugde zich B, ten prooi aan een plotselinge grote opgewondenheid. Ja graag, laat ons vooral een eindje gaan wandelen!’ (335-336)

 

“Zijn religieuze opvattingen zijn betrekkelijk eenvoudig: centraal staat een grote verering voor Christus, de Christus die leerde dat het heil van de naaste boven alles gaat. Alle schurkenstreken van God, alle twijfel aan Gods bestaan verdwijnen daarbij naar de achtergrond. Moest hij kiezen tussen de waarheid en Christus, dan zou hij Christus kiezen. Daarbij meende hij – en nu komen we bij zijn politieke opvattingen – dat er meer Christus in het Russische zat dan in anderen volkeren. Dat geloofde hij op zeer naïeve wijze. … ‘De ganse bestemming van Rusland ligt in de Orthodoxie, in het Licht uit het Oosten, dat zal stromen naar de verblinde Mens in het Westen, die Christus verloren heeft. Al het ongeluk van Europa is zonder uitzondering gekomen doordat ze met de Roomse Kerk Christus verloren hebben, en daarom besloten hebben dat het zonder Christus ook wel ging.’ Dit soort uitspraken hebben een geweldige aantrekkingskracht op veel Russen gehad en trouwens ook op veel lezers buiten Rusland.” (355-356)